Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:26734
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 25-232 Zaaknummer: C/09/685016 Datum beschikking: 19 december 2025 Vaststelling van staatloosheid Beschikking op het op 13 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker], verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.J. Koolen te Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te Den Haag, vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 8 juli 2025 van de Staat; - de brief van 30 juli 2025 van de zijde van verzoeker; - de brief van 7 augustus 2025 van de Staat. Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, door een tolk, A. Fawzy, en door zijn (voormalig) voogd, [naam], en namens de Staat mr. J. Laros. Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen: - het e-mailbericht van 12 november 2025, met bijlagen, van de Staat; - het e-mailbericht van 12 november 2025, met bijlage, van de zijde van verzoeker. Verzoek en het advies van de Staat Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker. De Staat adviseert het verzoek af te wijzen. Feiten De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt. - Verzoeker heeft op 10 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland. - Bij besluit van 11 juli 2023 is aan verzoeker een asielvergunning verleend. Deze vergunning is geldig van 10 oktober 2021 tot 10 oktober 2026. Beoordeling Juridisch kader en ontvankelijkheid Verzoeker verzoekt om zijn staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs). Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. De Staat adviseert om het verzoek af te wijzen omdat verzoeker geen document heeft overgelegd dat zijn identiteit kan aantonen. De Staat wijst daartoe op zijn werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen. Uit deze werkinstructie volgt dat de Staat voor de registratie van staatloosheid van Palestijnen vereist dat uit drie documentgroepen minimaal één document wordt getoond. Verzoeker heeft alleen documenten uit documentgroepen twee en drie overgelegd. Verzoeker heeft geen document uit de documentgroep één (een identiteitsdocument) overgelegd en daarmee dus geen document dat zijn identiteit aantoont. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon van verzoeker dezelfde is als de persoon op de door hem overgelegde documenten uit documentgroepen twee en drie. Daarmee is volgens de Staat ten aanzien van verzoeker geen staatloosheid vast te stellen. De rechtbank ziet in het standpunt van de Staat aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of het noodzakelijk is dat een document in de zin van de genoemde werkinstructie wordt overgelegd om de staatloosheid van verzoeker te kunnen vaststel UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord. Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft. De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]” De rechtbank leidt hieruit af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid. Beoordeling van de overgelegde stukken Gelet o Verzoeker heeft een kopie van de beschikking van 11 juli 2023 overgelegd. Uit de beschikking volgt dat de identiteit en herkomst van verzoeker in de asielprocedure geloofwaardig is geacht. De Staat heeft ter zitting medegedeeld te twijfelen aan de identiteit van verzoeker nu verzoeker in Griekenland een ander verhaal heeft verteld dan in Nederland. De rechtbank is echter van oordeel dat verzoeker met de door hem in deze procedure overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien met het verhaal over de levensloop en vlucht van verzoeker en zijn toelichting daarop ter zitting en de beoordeling van de identiteit van verzoeker in de asielprocedure, voldoende heeft onderbouwd dat de persoon van verzoeker dezelfde is als op de door hem overgelegde documenten. Voorts is aan het familie uittreksel van verzoeker een foto van verzoeker gehecht en dit document is echt bevonden. Hierdoor is voor de rechtbank de twijfel over de identiteit van verzoeker die zou zijn ontstaan door een afwijkend asielrelaas in Griekenland, weggenomen. Verder heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij gezinshereniging voor zijn moeder heeft aangevraagd en dat deze inmiddels is verleend en dat daarbij geen twijfel bestond over de identiteit en het gezinsverband van verzoeker en zijn moeder; de Staat heeft in dat kader niet gevraagd om DNA-onderzoek waar dat gebruikelijk is zodra er twijfel is. Daaruit volgt dat het afwijkende asielrelaas, wat volgens de Staat onder meer inhield dat verzoeker in Griekenland een aanvraag heeft gedaan samen met zijn moeder, niet kan kloppen. Controleerbare feiten dat verzoeker wèl de persoon is die wordt genoemd in de informatie uit Griekenland en niet degene van wie in deze procedure stukken zijn overgelegd, ontbreken. De rechtbank is gelet op het voornoemde van oordeel dat de identiteit van verzoeker vaststaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot het beoordelen van de aanknopingspunten met betrekking tot de eventuele nationaliteit van verzoeker. Relevante landen De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt dat hij van Palestijnse afkomst is, dat hij in Syrië is geboren en dat hij daar tot zijn vlucht heeft verbleven. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen. Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd? Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende. Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos. Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd? Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen. Uit werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië. Conclusie De rechtbank stelt, gelet o