Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:26600
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
4,520 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695515 / KG ZA 25-1185
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding op de zitting van
10 december 2025
in de zaak van:
[de vader] in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij in Haarlem,
tegen:
[de moeder]
in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D.Z. Peters in Rijswijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
Aanwezig is mr. M.F. Baaij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig:
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Nadat de ouders hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de andere ouder en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
in conventie en reconventie
1.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] woont bij de moeder.
1.2.
Bij beschikking van 23 juni 2021 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.3.
Bij mondelinge beslissing van 23 augustus 2022 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [de minderjarige] van 23 augustus 2022 tot 23 augustus 2023 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 23 augustus 2025. De ondertoezichtstelling is daarna beëindigd. Uit de stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling verband hield met de omgangsproblematiek tussen de ouders en met gedragsproblematiek van [de minderjarige] .
1.4.
Bij beschikking van 14 september 2022 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden onder regie en opbouw van de jeugdbeschermer, met dien verstande dat de vader voor de duur van twee maanden na heden voordien een blaastest zal ondergaan bij het Wilmahuis en als de vader negatief test op gebruik van alcohol vindt aansluitend onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaats en als de vader positief test op gebruik van alcohol zal die week geen omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvinden en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.5.
Bij beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn: om het weekend van vrijdag tot zondag, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en op zondag tussen 16.00 uur en 17.00 uur aan de moeder overdraagt op het station in [plaats] , waarbij de vader de moeder op zondag vóór 12.00 uur per e-mail bericht welke trein hij neemt (met aankomsttijd in [plaats] tussen 16.00 uur en 17.00 uur) en de moeder dat haar e-mail elke betreffende zondag na 12.00 uur
controleert en op de in het e-mailbericht medegedeelde tijd op het station in [plaats] staat.
1.6.
De ouders hebben op 17 november 2025 het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer ontvangen. Uit dat borgingsplan blijkt dat de omgang redelijke verloopt, ook na een incident kort na het afsluiten van de ondertoezichtstelling, en dat het gezin is aangemeld bij het Jeugdteam [plaats] . Op 27 november 2025 heeft de moeder aan de vader per e-mail aangegeven dat [de minderjarige] niet naar de vader toe wil en dat zij [de minderjarige] thuis zal houden. De moeder heeft opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis.
1.7.
Tussen de ouders is in geschil of de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , zoals is bepaald in de beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank onder zaak- en rekestnummer C/09/595310 en FA RK 20-4165, moet worden nagekomen of moet worden geschorst voor de duur van zes maanden.
1.8.
De vader vordert in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-. De moeder heeft daartegen verweer gevoerd.
1.9.
De moeder vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de omgangsregeling en de vakantieregeling te schorsen voor de duur van zes maanden en de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. De vader heeft daartegen verweer gevoerd.
1.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] een voorlopige ordemaatregel betreft. Deze maatregel geldt zolang er geen andere beslissing in een (bodem)procedure wordt genomen. Op dit moment loopt er geen andere procedure tussen de ouders.
1.11.
Als uitgangspunt geldt dat de door de rechtbank bij vonnis van 1 februari 2024 vastgestelde omgangsregeling moet worden nagekomen, tenzij zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat die omgangsregeling niet (meer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zulke feiten of omstandigheden niet gebleken. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] is gedurende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] steeds nagekomen. De ondertoezichtstelling is in augustus 2025 beëindigd en Stichting Jeugdbescherming west heeft de casus overgedragen aan het Jeugdteam. Tien dagen nadat het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer is ontvangen, heeft de moeder de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] eenzijdig stopgezet en heeft zij opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis. De moeder heeft aangegeven dat zij de omgang heeft stopgezet, omdat de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader in het geding is. Tussen de ouders heeft bij de overdracht van [de minderjarige] op 19 oktober 2025 een incident plaatsgevonden en de moeder heeft na een omgangsmoment met de vader in november 2025 letsel geconstateerd bij [de minderjarige] , waarover [de minderjarige] aan de moeder heeft aangegeven dat dit door de vader is toegebracht. Dat er een incident tussen de ouders heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2025 staat vast, maarde ouders verschillen van mening over wat er is gebeurd en wie de agressor was. De vader heeft gemotiveerd betwist dat hij letsel heeft veroorzaakt bij [de minderjarige] .
1.12.
De voorzieningenrechter constateert een patroon bij de ouders waarin zij elkaar over en weer blijven beschuldigen.
Dictum
in conventie en reconventie
De voorzieningenrechter:
2.1.
veroordeelt de moeder tot nakoming van de in de beschikking van 1 februari 2024, onder zaak- en rekestnummer C//09/595310 en FA RK 20-4165, vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] ;
2.2.
veroordeelt de moeder tot betaling van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
2.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. S. Sluijmer mr. M.F. Baaij
Inleiding
Rechtbank den haag
Team Familie - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695515 / KG ZA 25-1185
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding op de zitting van
10 december 2025
in de zaak van:
[de vader] in [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij in Haarlem,
tegen:
[de moeder]
in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D.Z. Peters in Rijswijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’ en samen als ‘de ouders’.
Aanwezig is mr. M.F. Baaij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig:
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Nadat de ouders hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de andere ouder en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
in conventie en reconventie
1.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] woont bij de moeder.
1.2.
Bij beschikking van 23 juni 2021 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.3.
Bij mondelinge beslissing van 23 augustus 2022 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [de minderjarige] van 23 augustus 2022 tot 23 augustus 2023 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 23 augustus 2025. De ondertoezichtstelling is daarna beëindigd. Uit de stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling verband hield met de omgangsproblematiek tussen de ouders en met gedragsproblematiek van [de minderjarige] .
1.4.
Bij beschikking van 14 september 2022 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden onder regie en opbouw van de jeugdbeschermer, met dien verstande dat de vader voor de duur van twee maanden na heden voordien een blaastest zal ondergaan bij het Wilmahuis en als de vader negatief test op gebruik van alcohol vindt aansluitend onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaats en als de vader positief test op gebruik van alcohol zal die week geen omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvinden en is iedere verdere beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden.
1.5.
Bij beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn: om het weekend van vrijdag tot zondag, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en op zondag tussen 16.00 uur en 17.00 uur aan de moeder overdraagt op het station in [plaats] , waarbij de vader de moeder op zondag vóór 12.00 uur per e-mail bericht welke trein hij neemt (met aankomsttijd in [plaats] tussen 16.00 uur en 17.00 uur) en de moeder dat haar e-mail elke betreffende zondag na 12.00 uur
controleert en op de in het e-mailbericht medegedeelde tijd op het station in [plaats] staat.
1.6.
De ouders hebben op 17 november 2025 het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer ontvangen. Uit dat borgingsplan blijkt dat de omgang redelijke verloopt, ook na een incident kort na het afsluiten van de ondertoezichtstelling, en dat het gezin is aangemeld bij het Jeugdteam [plaats] . Op 27 november 2025 heeft de moeder aan de vader per e-mail aangegeven dat [de minderjarige] niet naar de vader toe wil en dat zij [de minderjarige] thuis zal houden. De moeder heeft opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis.
1.7.
Tussen de ouders is in geschil of de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , zoals is bepaald in de beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank onder zaak- en rekestnummer C/09/595310 en FA RK 20-4165, moet worden nagekomen of moet worden geschorst voor de duur van zes maanden.
1.8.
De vader vordert in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-. De moeder heeft daartegen verweer gevoerd.
1.9.
De moeder vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de omgangsregeling en de vakantieregeling te schorsen voor de duur van zes maanden en de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. De vader heeft daartegen verweer gevoerd.
1.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] een voorlopige ordemaatregel betreft. Deze maatregel geldt zolang er geen andere beslissing in een (bodem)procedure wordt genomen. Op dit moment loopt er geen andere procedure tussen de ouders.
1.11.
Als uitgangspunt geldt dat de door de rechtbank bij vonnis van 1 februari 2024 vastgestelde omgangsregeling moet worden nagekomen, tenzij zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat die omgangsregeling niet (meer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zulke feiten of omstandigheden niet gebleken. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] is gedurende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] steeds nagekomen. De ondertoezichtstelling is in augustus 2025 beëindigd en Stichting Jeugdbescherming west heeft de casus overgedragen aan het Jeugdteam. Tien dagen nadat het borgingsplan van de voormalig jeugdbeschermer is ontvangen, heeft de moeder de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] eenzijdig stopgezet en heeft zij opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis. De moeder heeft aangegeven dat zij de omgang heeft stopgezet, omdat de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader in het geding is. Tussen de ouders heeft bij de overdracht van [de minderjarige] op 19 oktober 2025 een incident plaatsgevonden en de moeder heeft na een omgangsmoment met de vader in november 2025 letsel geconstateerd bij [de minderjarige] , waarover [de minderjarige] aan de moeder heeft aangegeven dat dit door de vader is toegebracht. Dat er een incident tussen de ouders heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2025 staat vast, maarde ouders verschillen van mening over wat er is gebeurd en wie de agressor was. De vader heeft gemotiveerd betwist dat hij letsel heeft veroorzaakt bij [de minderjarige] .
1.12.
De voorzieningenrechter constateert een patroon bij de ouders waarin zij elkaar over en weer blijven beschuldigen.
Dictum
in conventie en reconventie
De voorzieningenrechter:
2.1.
veroordeelt de moeder tot nakoming van de in de beschikking van 1 februari 2024, onder zaak- en rekestnummer C//09/595310 en FA RK 20-4165, vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] ;
2.2.
veroordeelt de moeder tot betaling van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
2.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. S. Sluijmer mr. M.F. Baaij