Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-10-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:26387
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/691620 / KG ZA 25-915 Vonnis in kort geding van 15 oktober 2025 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats 1], eiser, advocaat mr. D.W.E. Urbanus te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M. Beekes te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 september 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de op 1 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van 6 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden vanwege kort weergegeven diefstal met geweldpleging in vereniging (artikel 312 lid 1 en 2, onder 2 Wetboek van Strafrecht). Het hof heeft in het arrest met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn van de strafzaak van [eiser] overwogen dat het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Omdat [eiser] op 29 mei 2019 hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer drieënhalf jaar. Het hof heeft gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 28 maanden in beginsel een passende straf geacht, maar gelet op de termijnoverschrijding is een aftrek van vier maanden toegepast, zodat het hof is uitgekomen op een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest). In het arrest staat verder nog vermeld: “Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.” 2.2. [eiser] heeft cassatie tegen het arrest ingesteld. Ten tijde van deze cassatieprocedure heeft [eiser], die werkzaam is als als sociaal werker, nog overeenkomsten van opdracht gesloten met verschillende opdrachtgevers. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 8 juli 2025 niet-ontvankelijk verklaard. 2.3. [eiser] heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) op 23 juli 2025 verzocht zichzelf te mogen melden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Het CJIB heeft dit verzoek afgewezen omdat [eiser] is veroordeeld voor een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar staat, zodat sprake is van een uitsluitingsgrond voor de zelfmeldprocedure. 2.4. [eiser] is op 12 augustus 2025 aangehouden en gedetineerd. Hij is eerst gedetineerd in het Justitieel Centrum [plaats 1], waar hij in het arrestantencomplex verblijft. [eiser] heeft op 19 augustus 2025 een verzoek tot overplaatsing naar de PI [plaats 2] gedaan. Dit verzoek is op 29 augustus 2025 gehonoreerd. [eiser] is bericht dat hij geplaatst zal worden op het moment dat een cel beschikbaar is en dat hij tot die tijd op een wachtlijst staat. Ter zitting is gebleken dat er op 10 oktober 2025 voor [eiser] plaats is in de PI [plaats 2]. 2.5. Op 2 september 2025 heeft [eiser] de selectiefunctionaris verzocht om zo spoedig mogelijk te worden toegelaten voor deelname aan het Penitentiair Programma (hierna: PP). De selectiefunctionaris heeft bij brief van 30 september 2025 het verzoek van [eiser] afgewezen. De selectiefunctionaris heeft toegelicht dat op basis van de huidige wet- en regelgeving alleen gedetineerden met een onvoorwaardelijke vri In de beslissing van de selectiefunctionaris van 30 september 2025 is uitdrukkelijk bepaald dat daartegen beroep openstaat bij de RSJ. Volgens vaste jurisprudentie is de beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, die op grond van het stelsel van gesloten rechtsmiddelen de weg naar de burgerlijke rechter uitsluit. Er is geen aanleiding om te betwijfelen dat de RSJ de conclusies die [eiser] verbindt aan de termijnoverschrijding van zijn strafzaak aan het recht (en zo nodig het overgangsrecht) zal toetsen. De Staat heeft ter zitting met verwijzing naar een uitspraak van de RSJ overigens ook geïllustreerd dat de RSJ toetst aan het overgangsrecht behorende bij de Wet straffen en beschermen (waarmee de regeling voor deelname aan het PP is gewijzigd). Ook kan [eiser] in de procedure bij de RSJ zijn standpunt naar voren brengen dat het hof in zijn arrest (zie het citaat onder 2.1 van dit vonnis) een overweging heeft opgenomen waarin verwezen wordt naar het PP, en zijn, [eiser], perceptie dat het Hof daarmee heeft beoogd dat in dit geval zou moeten worden afgeweken van het nu geldende recht. 4.4. Dat niet te verwachten is dat de RSJ tijdig kan beslissen op het beroep van [eiser], is niet aannemelijk. [eiser] wenst deel te nemen aan het PP per 9 februari 2026. Gerekend vanaf de datum van dit vonnis is dat pas over bijna vier maanden. De Staat heeft aangevoerd dat de RSJ een beroep zo nodig binnen een versneld regime kan behandelen als dat in het voorliggende geval verlangd wordt. Dat een reguliere beroepsprocedure maanden zou kunnen duren, zoals [eiser] ter zitting heeft aangevoerd, is – wat daarvan ook zij – in dit geval niet doorslaggevend. Ook heeft de Staat erop gewezen dat de selectiefunctionaris doorgaans pas acht weken voor het moment waarop een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan het PP, het verzoek daartoe krijgt voorgelegd. Ook in die gevallen kan, aldus de Staat, nog tijdig worden beslist. Het is dan ook aan [eiser] om bij de RSJ gemotiveerd te verzoeken om zijn beroep met de benodigde voortvarendheid te behandelen. Vooralsnog is er daarom voor deze voorzieningenrechter geen taak weggelegd. Vordering tot schorsing detentie en onmiddellijke invrijheidsstelling 4.5. Ook voor wat de vordering tot schorsing van de detentie en onmiddellijke invrijheidsstelling heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De voorzieningenrechter volgt ook dit verweer. Op grond van de wet bestaat de mogelijkheid om een verzoek tot strafonderbreking te doen. Zakelijke omstandigheden kunnen een grond vormen voor strafonderbreking (artikel 38 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: Rtvi)). Het is vervolgens aan de minister om op een dergelijk verzoek te beslissen (artikel 39 Rtvi). Tegen die beslissing kan zo nodig beroep worden ingesteld bij de beroepscommissie van de RSJ (artikel 72 lid 2 Penitentiaire beginselenwet). [eiser] heeft nog geen verzoek gedaan tot strafonderbreking in verband met het behartigen van zijn zakelijke belangen. Dat hij de kans op succes klein acht, betekent vanzelfsprekend niet dat daarom de gang naar de voorzieningenrechter beschikbaar zou zijn. [eiser] moet de wettelijk voorgeschreven rechtsingang volgen. Bij deze stand van zaken is hij ook niet-ontvankelijk in zijn subsidiaire vordering. Vordering bevel tot overplaatsing naar een PI 4.6. Tot slot komt ook het meer subsidiair gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking. Ter zitting is gebleken dat er per 10 oktober 2025 voor [eiser] plaats is in de PI [plaats 2], de PI waar hij eerder overplaatsing naar had aangevraagd. [eiser] stond aanvankelijk als derde op de wachtlijst, maar de Staat heeft toegelicht dat er inmiddels een concrete plek voor [eiser] is gereserveerd. Om die reden heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vordering, zodat deze zal worden afgewezen. 4.7. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proce