Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:2630
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
984 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5501
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 18 november 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 2 december 2024.
De minister heeft de rechtbank op 5 februari 2025 van het voortduren van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 februari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
De minister heeft op 17 februari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De gemachtigde van eiser heeft op 18 februari 2025 het beroep tegen de kennisgeving over het voortduren van de maatregel van bewaring ingetrokken.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 2 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 26 november 2024) rechtmatig is.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat de minister op 17 februari 2025 de maatregel van bewaring heeft opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft op 18 februari 2025 aangegeven het beroep te willen intrekken. De rechtbank overweegt echter dat de gemachtigde van eiser niet bij rechte is om het beroep, dat voortvloeit uit de kennisgeving van de minister, in te trekken. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek (op 12 februari 2025) onrechtmatig is te achten.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 2 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20655.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.