Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:25992
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,108 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
DJ/c
Rolnr.: 11954318 \ RL EXPL 25-20969
Datum: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv in de zaak van:
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. Ö. Sahin,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Raad voor de Kinderbescherming),
te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. R.M. Koene.
Partijen worden hierna ‘ [eisende partij] ’ en ‘RvdK’ genoemd.
1Procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 12 november 2025 met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- de akte eiswijziging/eisvermeerdering met producties 18 tot en met 32.
1.2.
Op 27 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin. Namens RvdK is verschenen [naam] , leidinggevende van [eisende partij] , bijgestaan door mr. Koene. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting. Deze bevinden zich in het griffiedossier. Ter zitting is besloten de zaak aan te houden voor het voeren van schikkingsonderhandelingen. Bij brief van 8 december 2025 heeft mr. Sahin laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.
1.3.
Daarna is de uitspraak bepaald op heden.
1.4.
Met de nadien door RvdK toegestuurde stukken is geen rekening gehouden nu die buiten het kader van deze procedure zijn ingediend.
Feiten
2.1.
[eisende partij] is op 29 januari 2005 Bij RvdK in dienst getreden. De Cao Rijk is op het dienstverband van toepassing. [eisende partij] vervult sinds 1 januari 2023 de functie medewerker verwerken en behandelen. Zij verricht haar werkzaamheden grotendeels vanuit huis.
2.2.
[eisende partij] is sinds 29 april 2024 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Op 21 mei 2025 is zij gestart met de re-integratie. Op18 juni 2025 heeft het team van [eisende partij] aan de toenmalige leidinggevende gemaild:
“(…) Wij zullen [eisende partij] tezijnertijd (na haar re-integratieperiode) uiteraard weer verwelkomen binnen het team, maar kunnen haar tijdens dit re-integratieproces niet begeleiden/ondersteunen, oa vanwege het feit dat we onze energie momenteel steken in het inwerken van een nieuwe collega en het werk opvangen van 2 collega’s die nog gemist worden (…)
Daarbij verwachten we te zijner tijd een gesprek te hebben waarin we de verwachtingen voor de toekomst naar elkaar kunnen uitspreken, alsmede ook de teleurstelling over oa 13 maanden stilte van haar kant. Er bestaat momenteel een grote ongemakkelijkheid binnen het team.”
2.3.
Op 23 juni 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij] en haar toenmalig leidingggevende. Daarin is afgesproken dat de leidinggevende in gesprek zou gaan met het team over de re-integratie van [eisende partij] . De leidinggevende heeft vervolgens in het gesprek met het team meegedeeld dat [eisende partij] zal re-integreren in haar eigen functie.
2.4.
De leidinggevende is op 30 juni 2025 vertrokken en opgevolgd door een interim leidinggevende, mevrouw [naam] .
2.5.
Op 1 juli 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de re-integratie op zichzelf goed verloopt maar dat de samenwerking tussen [eisende partij] en de rest van het team niet goed loopt omdat het team niet wil dat [eisende partij] daar re-integreert.
2.6.
Op 23 juli 2025 heeft een gesprek tussen [eisende partij] en het team plaatsgevonden. [eisende partij] heeft naar aanleiding daarvan in een e-mail aan [naam] laten weten dat het gesprek veel impact op haar gehad heeft, vanwege de manier waarop vanuit het team verwijten over haar afwezigheid zijn geuit. Ook schrijft zij in die mail:
“Daarnaast vond ik het ongepast dat er door jou een vergelijking werd gemaakt dat mijn situatie vergelijkbaar is met een vader die zijn gezin verlaat. Mijn afwezigheid is het gevolg van ziekte en niet een keuze. Bovendien gaf het een signaal af dat het gedrag van het team begrijpelijk of zelfs gerechtvaardigd zou zijn.
(…)
Helaas ervaar ik belemmeringen vanuit het team die mijn terugkeer naar werk bemoeilijken door mijn werkzaamheden over te zetten op eigen naam. Ik had gehoopt dat het gesprek van vandaag zou leiden tot duidelijke afspraken met het team, zodat ik mijn re-integratie op een rustige manier kan voortzetten.
(…)”
2.7.
Op 30 juli 2025 heeft [naam] aan het team bevestigd dat [eisende partij] re-integreert in haar eigen functie en dat begin september 2025 een gesprek tussen [eisende partij] en het team zal plaatsvinden onder begeleiding van een coach. Zij draagt daarbij het team op om in overleg met elkaar tot een werk- en taakverdeling te komen en deelt mee dat er een bespreking zal plaatsvinden om te horen welke taakverdeling er is gemaakt.
2.8.
Op 1 september 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de situatie op het werk voor [eisende partij] tot extra spanningen en gezondheidsklachten leidt en heeft hij geadviseerd om een goed gesprek te laten plaatsvinden tussen [eisende partij] en het team onder begeleiding van een ervaren coach of mediator.
2.9.
Een geplande fysieke afspraak voor een kennismakingsgesprek op 4 september 2025 tussen [eisende partij] , [naam] en de verzuimcasemanager kon niet doorgaan omdat [eisende partij] niet in staat was om te reizen. Het gesprek heeft daarom via Teams plaatsgevonden. [naam] heeft toen besloten om het geplande gesprek tussen [eisende partij] en het team onder begeleiding van een coach te annuleren omdat [eisende partij] niet fysiek aanwezig kon zijn.
2.10.
Op 9 september 2025 heeft [eisende partij] zich opnieuw ziek gemeld. Op 14 september 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [eisende partij] niet in staat is om een gesprek over de problemen op het werk te voeren. Op 8 oktober 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat er geen medische belemmeringen meer waren om te re-integreren en dat [eisende partij] kon starten met 3 uur per dag.
2.11.
Op 13 oktober 2025 is [eisende partij] weer begonnen. Zij had echter geen digitale toegang tot de werkzaamheden en heeft dit per e-mail aan [naam] gemeld. Op 14 oktober 2025 heeft zij opnieuw gemeld nog steeds geen werkzaamheden te hebben. Op 16 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij] , haar gemachtigde en [naam] . Daarin heeft [eisende partij] [naam] verzocht om haar toegang te geven tot de werkzaamheden. [naam] heeft geantwoord dat niet te zullen doen. [eisende partij] heeft vervolgens gevraagd een mediator in te schakelen. [naam] was daartoe niet bereid. De gemachtigde van [eisende partij] heeft de inhoud van het gesprek schriftelijk bevestigd. De brief luidt onder meer:
“(…) Tijdens het gesprek heeft u cliënte duidelijk gemaakt dat u niet weet wat u moet doen. U wilde van het gesprek gebruik maken om cliënte aan te spreken op haar gedrag dat volgens u een rol speelt in de kwestie. Bij navraag over welk gedrag u het heeft, heeft u aangegeven dat cliënte afgelopen maandag het team niet heeft geïnformeerd dat zij weer gaat re-integreren, dat zij niet moet eisen maar vragen en dat zij zich moet invoegen bij het team “inschikken”. Volgens u stelt cliënte zich directief op in de manier van communicatie.
U heeft aangegeven dat de relatie tussen cliënte en haar team moet worden opgebouwd. Op de vraag hoe u dat voor zich ziet, geeft u wederom aan dat niet te weten en heeft u deze vraag bij cliënte neergelegd. (…) Cliënte heeft u duidelijk gemaakt dat van haar niet kan worden verwacht om verantwoording af te leggen aan het team over haar ziekte. Zij wil niet uitweiden over de aard van haar ziekte en de achterliggende redenen voor haar afwezigheid. Dit kan en mag niet van haar worden verwacht. Het enkele idee dat cliënte hierover verantwoording zou moeten afleggen aan haar collega’s is ongepast en onbegrijpelijk Het team neemt cliënte kwalijk dat zij afwezig is geweest wegens ziekte en wil haar daarom niet terug in het team. Dat u in deze houding meegaat is moeilijk te begrijpen voor cliënte.
U bent van mening dat het probleem met het team eerst moet worden opgelost wil cliënte toegang krijgen tot het werk. Het gedrag van cliënte speelt volgens u hierin een rol. (…) Het team krijgt vanwege uw opstelling de ruimte om zich zo te gedragen en cliënte als groep buiten te sluiten. U bevestigt daarmee impliciet hun handelswijze en dat u zich daarin kunt vinden. (…)”
De gemachtigde heeft in de brief tevens verzocht om op korte termijn een mediator in te schakelen.
3Vordering en grondslag
3.1.
[eisende partij] vordert na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:
I. RvdK te bevelen om [eisende partij] binnen 24 uur na vonnisdatum toe te laten tot haar werkzaamheden conform het re-integratieadvies van de bedrijfsarts onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als voor haar arbeidsongeschiktheid golden;
II.
Beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet kan afwachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisende partij] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor RvdK als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Gelet op de aard van de vorderingen van [eisende partij] is voldoende gebleken dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen.
5.2.
Artikel 7:658a BW bepaalt dat een werkgever is gehouden om, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, actief de re-integratie van de werknemer in zijn bedrijf te bevorderen. Daartoe dient een werkgever, waar nodig, zijn organisatie zelfs aan te passen teneinde een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in de gelegenheid te stellen passend werk te verrichten (zie artikel 7:658a lid 2 BW).
5.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of RvdK voldoet aan haar re-integratieverplichting. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daarover het volgende.
5.4.
[eisende partij] is sinds 21 mei 2025 in de gelegenheid om te re-integreren en heeft dat expliciet aan haar leidinggevende en het team kenbaar gemaakt. Vaststaat dat destijds is besloten dat zij zou re-integreren in haar eigen werkzaamheden. Dat is ook als zodanig aan het team meegedeeld. Vaststaat ook dat het team daar -om welke reden dan ook- niet enthousiast over was en keer op keer heeft geprobeerd om de re-integratie te frustreren. Zo zorgden collega’s ervoor dat dossiers niet op naam van [eisende partij] kwamen zodat zij geen werkzaamheden kon verrichten. [eisende partij] heeft hiervan meerdere malen melding gemaakt bij RvdK maar dat leidde niet tot verbetering.
In juli 2025 heeft een gesprek met het team plaatsgevonden onder leiding van [naam] . In dat gesprek hebben de teamleden richting [eisende partij] verwijten gemaakt over haar lange periode van afwezigheid. In plaats van het expliciet voor [eisende partij] op te nemen heeft [naam] een opmerking gemaakt over een vader die na afwezigheid terugkomt en waaraan het gezin opnieuw moet wennen. [naam] heeft [eisende partij] hiermee ernstig gekwetst, zo is ter zitting duidelijk gebleken. De kantonrechter wil op zichzelf wel aannemen dat [naam] niet de bedoeling had om [eisende partij] te kwetsen en dat [naam] ook niet achter de verwijten van het team stond, dat neemt echter niet weg dat [naam] door deze houding -wellicht onbedoeld- de indruk heeft gewekt begrip te hebben voor de houding van het team. Dit kan [naam] verweten worden. Niet ter discussie staat immers dat de langdurige afwezigheid van [eisende partij] een gevolg is van ziekte. Een werknemer hoeft zich daarover ten opzichte van collega’s niet te verantwoorden en ook geen details over de aard van de ziekte te verstrekken. [naam] had [eisende partij] dan ook expliciet moeten steunen in dit gesprek.
Ook daarna is [eisende partij] niet in de gelegenheid gesteld om haar werk op te pakken terwijl dat wel de afspraak was. RvdK doet voorkomen alsof het re-integreren in eigen werk afhankelijk is van de goedkeuring van het team. Die suggestie is onjuist. Het mag zo zijn dat RvdK werkt met zelfsturende teams maar dat neemt niet weg dat RvdK als werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie. Als die door het zelfsturende team wordt tegengewerkt ligt het op de weg van RvdK om in te grijpen en het team aan te spreken, zodanig dat de tegenwerking stopt. Dat heeft RvdK niet gedaan. Daarmee heeft RvdK de mogelijkheid van [eisende partij] om te re-integreren lange tijd gefrustreerd.
5.5.
Overigens valt ook niet in te zien waarom de mogelijkheid om eigen dossiers op te pakken afhankelijk is gesteld van een gesprek onder leiding van een mediator. [eisende partij] werkt vanaf huis en heeft eigen dossiers. Dat daarbij een (intensieve) samenwerking met de teamleden noodzakelijk is, is door RvdK weliswaar gesteld maar gelet op de gemotiveerde betwisting door [eisende partij] , onvoldoende onderbouwd.
5.6.
Daar komt bij dat de planning van een gesprek met een mediator (te) lang op zich laat wachten. De problemen tussen [eisende partij] en haar collega’s zijn sinds juni 2025 bekend bij RvdK. Desondanks had er ten tijde van de zitting nog steeds geen gesprek onder leiding van een mediator plaatsgevonden en was hier ook nog geen datum voor gepland. Wel vinden er gesprekken met de individuele teamleden plaats maar een datum voor een groepsgesprek is er niet. Evenmin is er een mediator gevonden. Deze gang van zaken getuigt van weinig gevoel voor urgentie bij RvdK.
5.7.
RvdK heeft nog aangevoerd dat het niet op gang komen van re-integratie (mede) aan [eisende partij] zelf te wijten is. Volgens RvdK neemt zij geen verantwoordelijkheid voor haar terugkeer in het team en ontbreekt een pro-actieve houding en zelfreflectie. De kantonrechter oordeelt hierover dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie primair bij de werkgever ligt. Afgezien daarvan heeft RvdK op geen enkele manier onderbouwd waaruit blijkt dat [eisende partij] geen verantwoordelijkheid neemt. Uit de overgelegde stukken blijkt juist het tegendeel. [eisende partij] heeft bij herhaling kenbaar gemaakt dat ze aan het werk wilde en aangedrongen op het geven van toegang tot de dossiers.
5.8.
Vaststaat dat RvdK [eisende partij] na het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding toegang heeft gegeven tot het systeem. Vaststaat ook dat [eisende partij] slechts een beperkt deel van haar werkzaamheden kan uitvoeren. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze werkzaamheden als passend beschouwd kunnen worden. Passende arbeid in het kader van de re-integratie is volgens art. 7:658a lid 4 BW alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Passende arbeid is dan ook een ruim begrip. Of de aangeboden werkzaamheden in dit geval als passend aangemerkt kunnen worden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarvoor is het volgende van belang.
Bij de start van de re-integratie is afgesproken dat [eisende partij] zou re-integreren in haar eigen werk. Het eigen werk van [eisende partij] bestaat uit het behandelen van de dossiers die zijn gekoppeld aan een aantal postcodes. Er is niet afgesproken dat zij slechts losse taken die niet aan eigen dossiers zijn gekoppeld zou verrichten.
Dat [eisende partij] de afgesproken werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren komt doordat haar collega’s haar dat verhinderden door dossiers van [eisende partij] op hun eigen naam te zetten. De vorige leidinggevende van [eisende partij] heeft daar weliswaar wat van gezegd maar dat heeft niet tot ander gedrag geleid.
Dat [eisende partij] niet aan haar eigen dossiers kan werken lijkt dan ook uitsluitend een gevolg te zijn van het feit dat het team dit niet wil. Dat er inhoudelijke redenen voor zijn heeft RvdK onvoldoende onderbouwd.
Uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt niet dat het behandelen van de eigen dossiers te veelomvattend zouden zijn, dat [eisende partij] de tijdsdruk niet zou aankunnen of dat zij een afgebakend takenpakket zou moeten verrichten. In tegendeel, er blijkt juist uit dat het feit dat [eisende partij] alleen ‘de taakstraffen’ mag doen een negatief effect heeft op haar herstel. Dat komt doordat [eisende partij] het als pestgedrag ervaart omdat ‘de taakstraffen’ volgens haar een onderdeel van het werk is dat niemand leuk vindt.
Dictum
De kantonrechter, voorlopig oordelende in kort geding:
6.1.
beveelt RvdK om [eisende partij] binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis in staat te stellen om haar reguliere werkzaamheden te verrichten, bestaande uit het behandelen van dossiers met de vòòr de arbeidsongeschiktheid aan [eisende partij] toebedeelde postcodes, conform het re-integratieadvies van de bedrijfsarts en onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als vòòr haar arbeidsongeschiktheid golden;
6.2.
verbiedt RvdK om [eisende partij] de toegang tot het werk te ontzeggen of haar re-integratie op enigerlei wijze te belemmeren, zolang geen sprake is van een rechtsgeldige schorsing, non-actiefstelling of ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
6.3.
beveelt RvdK alle redelijke maatregelen te treffen die de uitvoering van de re-integratie van [eisende partij] mogelijk te maken, waaronder het voeren van overleg met de bedrijfsarts en/of arbodienst en het informeren van het team dat [eisende partij] gerechtigd is haar eigen werkzaamheden, bestaande uit het behandelen van dossiers met de voor de arbeidsongeschiktheid aan [eisende partij] toebedeelde postcodes, te hervatten;
6.4.
bepaalt dat RvdK aan [eisende partij] een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat RvdK in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan de onder 6.1 tot en met 6.3 genoemde veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;
6.5.
veroordeelt RvdK in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] vastgesteld op € 1.183,47, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
DJ/c
Rolnr.: 11954318 \ RL EXPL 25-20969
Datum: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv in de zaak van:
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. Ö. Sahin,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Raad voor de Kinderbescherming),
te Den Haag,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. R.M. Koene.
Partijen worden hierna ‘ [eisende partij] ’ en ‘RvdK’ genoemd.
1Procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 12 november 2025 met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- de akte eiswijziging/eisvermeerdering met producties 18 tot en met 32.
1.2.
Op 27 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door mr. Sahin. Namens RvdK is verschenen [naam] , leidinggevende van [eisende partij] , bijgestaan door mr. Koene. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting. Deze bevinden zich in het griffiedossier. Ter zitting is besloten de zaak aan te houden voor het voeren van schikkingsonderhandelingen. Bij brief van 8 december 2025 heeft mr. Sahin laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.
1.3.
Daarna is de uitspraak bepaald op heden.
1.4.
Met de nadien door RvdK toegestuurde stukken is geen rekening gehouden nu die buiten het kader van deze procedure zijn ingediend.
Feiten
2.1.
[eisende partij] is op 29 januari 2005 Bij RvdK in dienst getreden. De Cao Rijk is op het dienstverband van toepassing. [eisende partij] vervult sinds 1 januari 2023 de functie medewerker verwerken en behandelen. Zij verricht haar werkzaamheden grotendeels vanuit huis.
2.2.
[eisende partij] is sinds 29 april 2024 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Op 21 mei 2025 is zij gestart met de re-integratie. Op18 juni 2025 heeft het team van [eisende partij] aan de toenmalige leidinggevende gemaild:
“(…) Wij zullen [eisende partij] tezijnertijd (na haar re-integratieperiode) uiteraard weer verwelkomen binnen het team, maar kunnen haar tijdens dit re-integratieproces niet begeleiden/ondersteunen, oa vanwege het feit dat we onze energie momenteel steken in het inwerken van een nieuwe collega en het werk opvangen van 2 collega’s die nog gemist worden (…)
Daarbij verwachten we te zijner tijd een gesprek te hebben waarin we de verwachtingen voor de toekomst naar elkaar kunnen uitspreken, alsmede ook de teleurstelling over oa 13 maanden stilte van haar kant. Er bestaat momenteel een grote ongemakkelijkheid binnen het team.”
2.3.
Op 23 juni 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij] en haar toenmalig leidingggevende. Daarin is afgesproken dat de leidinggevende in gesprek zou gaan met het team over de re-integratie van [eisende partij] . De leidinggevende heeft vervolgens in het gesprek met het team meegedeeld dat [eisende partij] zal re-integreren in haar eigen functie.
2.4.
De leidinggevende is op 30 juni 2025 vertrokken en opgevolgd door een interim leidinggevende, mevrouw [naam] .
2.5.
Op 1 juli 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de re-integratie op zichzelf goed verloopt maar dat de samenwerking tussen [eisende partij] en de rest van het team niet goed loopt omdat het team niet wil dat [eisende partij] daar re-integreert.
2.6.
Op 23 juli 2025 heeft een gesprek tussen [eisende partij] en het team plaatsgevonden. [eisende partij] heeft naar aanleiding daarvan in een e-mail aan [naam] laten weten dat het gesprek veel impact op haar gehad heeft, vanwege de manier waarop vanuit het team verwijten over haar afwezigheid zijn geuit. Ook schrijft zij in die mail:
“Daarnaast vond ik het ongepast dat er door jou een vergelijking werd gemaakt dat mijn situatie vergelijkbaar is met een vader die zijn gezin verlaat. Mijn afwezigheid is het gevolg van ziekte en niet een keuze. Bovendien gaf het een signaal af dat het gedrag van het team begrijpelijk of zelfs gerechtvaardigd zou zijn.
(…)
Helaas ervaar ik belemmeringen vanuit het team die mijn terugkeer naar werk bemoeilijken door mijn werkzaamheden over te zetten op eigen naam. Ik had gehoopt dat het gesprek van vandaag zou leiden tot duidelijke afspraken met het team, zodat ik mijn re-integratie op een rustige manier kan voortzetten.
(…)”
2.7.
Op 30 juli 2025 heeft [naam] aan het team bevestigd dat [eisende partij] re-integreert in haar eigen functie en dat begin september 2025 een gesprek tussen [eisende partij] en het team zal plaatsvinden onder begeleiding van een coach. Zij draagt daarbij het team op om in overleg met elkaar tot een werk- en taakverdeling te komen en deelt mee dat er een bespreking zal plaatsvinden om te horen welke taakverdeling er is gemaakt.
2.8.
Op 1 september 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de situatie op het werk voor [eisende partij] tot extra spanningen en gezondheidsklachten leidt en heeft hij geadviseerd om een goed gesprek te laten plaatsvinden tussen [eisende partij] en het team onder begeleiding van een ervaren coach of mediator.
2.9.
Een geplande fysieke afspraak voor een kennismakingsgesprek op 4 september 2025 tussen [eisende partij] , [naam] en de verzuimcasemanager kon niet doorgaan omdat [eisende partij] niet in staat was om te reizen. Het gesprek heeft daarom via Teams plaatsgevonden. [naam] heeft toen besloten om het geplande gesprek tussen [eisende partij] en het team onder begeleiding van een coach te annuleren omdat [eisende partij] niet fysiek aanwezig kon zijn.
2.10.
Op 9 september 2025 heeft [eisende partij] zich opnieuw ziek gemeld. Op 14 september 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat [eisende partij] niet in staat is om een gesprek over de problemen op het werk te voeren. Op 8 oktober 2025 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat er geen medische belemmeringen meer waren om te re-integreren en dat [eisende partij] kon starten met 3 uur per dag.
2.11.
Op 13 oktober 2025 is [eisende partij] weer begonnen. Zij had echter geen digitale toegang tot de werkzaamheden en heeft dit per e-mail aan [naam] gemeld. Op 14 oktober 2025 heeft zij opnieuw gemeld nog steeds geen werkzaamheden te hebben. Op 16 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eisende partij] , haar gemachtigde en [naam] . Daarin heeft [eisende partij] [naam] verzocht om haar toegang te geven tot de werkzaamheden. [naam] heeft geantwoord dat niet te zullen doen. [eisende partij] heeft vervolgens gevraagd een mediator in te schakelen. [naam] was daartoe niet bereid. De gemachtigde van [eisende partij] heeft de inhoud van het gesprek schriftelijk bevestigd. De brief luidt onder meer:
“(…) Tijdens het gesprek heeft u cliënte duidelijk gemaakt dat u niet weet wat u moet doen. U wilde van het gesprek gebruik maken om cliënte aan te spreken op haar gedrag dat volgens u een rol speelt in de kwestie. Bij navraag over welk gedrag u het heeft, heeft u aangegeven dat cliënte afgelopen maandag het team niet heeft geïnformeerd dat zij weer gaat re-integreren, dat zij niet moet eisen maar vragen en dat zij zich moet invoegen bij het team “inschikken”. Volgens u stelt cliënte zich directief op in de manier van communicatie.
U heeft aangegeven dat de relatie tussen cliënte en haar team moet worden opgebouwd. Op de vraag hoe u dat voor zich ziet, geeft u wederom aan dat niet te weten en heeft u deze vraag bij cliënte neergelegd. (…) Cliënte heeft u duidelijk gemaakt dat van haar niet kan worden verwacht om verantwoording af te leggen aan het team over haar ziekte. Zij wil niet uitweiden over de aard van haar ziekte en de achterliggende redenen voor haar afwezigheid. Dit kan en mag niet van haar worden verwacht. Het enkele idee dat cliënte hierover verantwoording zou moeten afleggen aan haar collega’s is ongepast en onbegrijpelijk Het team neemt cliënte kwalijk dat zij afwezig is geweest wegens ziekte en wil haar daarom niet terug in het team. Dat u in deze houding meegaat is moeilijk te begrijpen voor cliënte.
U bent van mening dat het probleem met het team eerst moet worden opgelost wil cliënte toegang krijgen tot het werk. Het gedrag van cliënte speelt volgens u hierin een rol. (…) Het team krijgt vanwege uw opstelling de ruimte om zich zo te gedragen en cliënte als groep buiten te sluiten. U bevestigt daarmee impliciet hun handelswijze en dat u zich daarin kunt vinden. (…)”
De gemachtigde heeft in de brief tevens verzocht om op korte termijn een mediator in te schakelen.
3Vordering en grondslag
3.1.
[eisende partij] vordert na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:
I. RvdK te bevelen om [eisende partij] binnen 24 uur na vonnisdatum toe te laten tot haar werkzaamheden conform het re-integratieadvies van de bedrijfsarts onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als voor haar arbeidsongeschiktheid golden;
II.
Beoordeling
Spoedeisend belang
5.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet kan afwachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisende partij] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor RvdK als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Gelet op de aard van de vorderingen van [eisende partij] is voldoende gebleken dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen.
5.2.
Artikel 7:658a BW bepaalt dat een werkgever is gehouden om, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, actief de re-integratie van de werknemer in zijn bedrijf te bevorderen. Daartoe dient een werkgever, waar nodig, zijn organisatie zelfs aan te passen teneinde een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in de gelegenheid te stellen passend werk te verrichten (zie artikel 7:658a lid 2 BW).
5.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of RvdK voldoet aan haar re-integratieverplichting. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daarover het volgende.
5.4.
[eisende partij] is sinds 21 mei 2025 in de gelegenheid om te re-integreren en heeft dat expliciet aan haar leidinggevende en het team kenbaar gemaakt. Vaststaat dat destijds is besloten dat zij zou re-integreren in haar eigen werkzaamheden. Dat is ook als zodanig aan het team meegedeeld. Vaststaat ook dat het team daar -om welke reden dan ook- niet enthousiast over was en keer op keer heeft geprobeerd om de re-integratie te frustreren. Zo zorgden collega’s ervoor dat dossiers niet op naam van [eisende partij] kwamen zodat zij geen werkzaamheden kon verrichten. [eisende partij] heeft hiervan meerdere malen melding gemaakt bij RvdK maar dat leidde niet tot verbetering.
In juli 2025 heeft een gesprek met het team plaatsgevonden onder leiding van [naam] . In dat gesprek hebben de teamleden richting [eisende partij] verwijten gemaakt over haar lange periode van afwezigheid. In plaats van het expliciet voor [eisende partij] op te nemen heeft [naam] een opmerking gemaakt over een vader die na afwezigheid terugkomt en waaraan het gezin opnieuw moet wennen. [naam] heeft [eisende partij] hiermee ernstig gekwetst, zo is ter zitting duidelijk gebleken. De kantonrechter wil op zichzelf wel aannemen dat [naam] niet de bedoeling had om [eisende partij] te kwetsen en dat [naam] ook niet achter de verwijten van het team stond, dat neemt echter niet weg dat [naam] door deze houding -wellicht onbedoeld- de indruk heeft gewekt begrip te hebben voor de houding van het team. Dit kan [naam] verweten worden. Niet ter discussie staat immers dat de langdurige afwezigheid van [eisende partij] een gevolg is van ziekte. Een werknemer hoeft zich daarover ten opzichte van collega’s niet te verantwoorden en ook geen details over de aard van de ziekte te verstrekken. [naam] had [eisende partij] dan ook expliciet moeten steunen in dit gesprek.
Ook daarna is [eisende partij] niet in de gelegenheid gesteld om haar werk op te pakken terwijl dat wel de afspraak was. RvdK doet voorkomen alsof het re-integreren in eigen werk afhankelijk is van de goedkeuring van het team. Die suggestie is onjuist. Het mag zo zijn dat RvdK werkt met zelfsturende teams maar dat neemt niet weg dat RvdK als werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie. Als die door het zelfsturende team wordt tegengewerkt ligt het op de weg van RvdK om in te grijpen en het team aan te spreken, zodanig dat de tegenwerking stopt. Dat heeft RvdK niet gedaan. Daarmee heeft RvdK de mogelijkheid van [eisende partij] om te re-integreren lange tijd gefrustreerd.
5.5.
Overigens valt ook niet in te zien waarom de mogelijkheid om eigen dossiers op te pakken afhankelijk is gesteld van een gesprek onder leiding van een mediator. [eisende partij] werkt vanaf huis en heeft eigen dossiers. Dat daarbij een (intensieve) samenwerking met de teamleden noodzakelijk is, is door RvdK weliswaar gesteld maar gelet op de gemotiveerde betwisting door [eisende partij] , onvoldoende onderbouwd.
5.6.
Daar komt bij dat de planning van een gesprek met een mediator (te) lang op zich laat wachten. De problemen tussen [eisende partij] en haar collega’s zijn sinds juni 2025 bekend bij RvdK. Desondanks had er ten tijde van de zitting nog steeds geen gesprek onder leiding van een mediator plaatsgevonden en was hier ook nog geen datum voor gepland. Wel vinden er gesprekken met de individuele teamleden plaats maar een datum voor een groepsgesprek is er niet. Evenmin is er een mediator gevonden. Deze gang van zaken getuigt van weinig gevoel voor urgentie bij RvdK.
5.7.
RvdK heeft nog aangevoerd dat het niet op gang komen van re-integratie (mede) aan [eisende partij] zelf te wijten is. Volgens RvdK neemt zij geen verantwoordelijkheid voor haar terugkeer in het team en ontbreekt een pro-actieve houding en zelfreflectie. De kantonrechter oordeelt hierover dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie primair bij de werkgever ligt. Afgezien daarvan heeft RvdK op geen enkele manier onderbouwd waaruit blijkt dat [eisende partij] geen verantwoordelijkheid neemt. Uit de overgelegde stukken blijkt juist het tegendeel. [eisende partij] heeft bij herhaling kenbaar gemaakt dat ze aan het werk wilde en aangedrongen op het geven van toegang tot de dossiers.
5.8.
Vaststaat dat RvdK [eisende partij] na het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding toegang heeft gegeven tot het systeem. Vaststaat ook dat [eisende partij] slechts een beperkt deel van haar werkzaamheden kan uitvoeren. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze werkzaamheden als passend beschouwd kunnen worden. Passende arbeid in het kader van de re-integratie is volgens art. 7:658a lid 4 BW alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Passende arbeid is dan ook een ruim begrip. Of de aangeboden werkzaamheden in dit geval als passend aangemerkt kunnen worden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarvoor is het volgende van belang.
Bij de start van de re-integratie is afgesproken dat [eisende partij] zou re-integreren in haar eigen werk. Het eigen werk van [eisende partij] bestaat uit het behandelen van de dossiers die zijn gekoppeld aan een aantal postcodes. Er is niet afgesproken dat zij slechts losse taken die niet aan eigen dossiers zijn gekoppeld zou verrichten.
Dat [eisende partij] de afgesproken werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren komt doordat haar collega’s haar dat verhinderden door dossiers van [eisende partij] op hun eigen naam te zetten. De vorige leidinggevende van [eisende partij] heeft daar weliswaar wat van gezegd maar dat heeft niet tot ander gedrag geleid.
Dat [eisende partij] niet aan haar eigen dossiers kan werken lijkt dan ook uitsluitend een gevolg te zijn van het feit dat het team dit niet wil. Dat er inhoudelijke redenen voor zijn heeft RvdK onvoldoende onderbouwd.
Uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt niet dat het behandelen van de eigen dossiers te veelomvattend zouden zijn, dat [eisende partij] de tijdsdruk niet zou aankunnen of dat zij een afgebakend takenpakket zou moeten verrichten. In tegendeel, er blijkt juist uit dat het feit dat [eisende partij] alleen ‘de taakstraffen’ mag doen een negatief effect heeft op haar herstel. Dat komt doordat [eisende partij] het als pestgedrag ervaart omdat ‘de taakstraffen’ volgens haar een onderdeel van het werk is dat niemand leuk vindt.
Dictum
De kantonrechter, voorlopig oordelende in kort geding:
6.1.
beveelt RvdK om [eisende partij] binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis in staat te stellen om haar reguliere werkzaamheden te verrichten, bestaande uit het behandelen van dossiers met de vòòr de arbeidsongeschiktheid aan [eisende partij] toebedeelde postcodes, conform het re-integratieadvies van de bedrijfsarts en onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als vòòr haar arbeidsongeschiktheid golden;
6.2.
verbiedt RvdK om [eisende partij] de toegang tot het werk te ontzeggen of haar re-integratie op enigerlei wijze te belemmeren, zolang geen sprake is van een rechtsgeldige schorsing, non-actiefstelling of ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
6.3.
beveelt RvdK alle redelijke maatregelen te treffen die de uitvoering van de re-integratie van [eisende partij] mogelijk te maken, waaronder het voeren van overleg met de bedrijfsarts en/of arbodienst en het informeren van het team dat [eisende partij] gerechtigd is haar eigen werkzaamheden, bestaande uit het behandelen van dossiers met de voor de arbeidsongeschiktheid aan [eisende partij] toebedeelde postcodes, te hervatten;
6.4.
bepaalt dat RvdK aan [eisende partij] een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat RvdK in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan de onder 6.1 tot en met 6.3 genoemde veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;
6.5.
veroordeelt RvdK in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] vastgesteld op € 1.183,47, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025.