Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:25980
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,918 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9859
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
Buurtvereniging [stadsdeel], uit [plaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college
(gemachtigde: [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Goodwin Westbay B.V. uit Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. M.A. van Kleef).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van 21 woningen en een winkel/bedrijfsruimte op het perceel [perceel] te [plaats]. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 8 december 2023 heeft het college vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 21 woningen en een winkel/bedrijfsruimte op het perceel [perceel] te [plaats].
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2], [naam 3] en [naam 4] namens eiseres, de gemachtigde van het college en [naam 5] namens het college en de gemachtigde van vergunninghouder, [naam 6] en [naam 7] namens vergunninghouder.
Beoordeling
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag is ingediend op 12 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel [perceel] in [plaats] en wil het daar bestaande bedrijfsgebouw transformeren tot 21 (starters)woningen, bestaande uit 7 grondgebonden woningen en 14 appartementen (in een hofjesachtige setting) en een winkel/bedrijfsruimte met een oppervlak van 53 m2. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
4.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Het bezwaar is gericht tegen de gehanteerde rekenmethode voor het berekenen van de parkeerdruk. Naar aanleiding van het bezwaar is adviesbureau [adviesbureau] ([adviesbureau]) gevraagd een parkeeronderzoek uit te voeren. [adviesbureau] heeft op 10 oktober 2024 een parkeeradvies uitgebracht.
4.2.
Op grond van artikel 6.2, vijfde lid, van de regels van het ter plaatse geldende bestemminsplan ‘[bestemmingsplan]’ dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte, tenzij aantoonbaar structureel in een andere oplossing kan worden voorzien.
4.3.
Het college hanteert bij de beoordeling van de parkeerbehoefte de parkeerrichtlijnen van CROW uit 2021. In overeenstemming met Leidraad Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente [plaats] (LIOR) houdt het college de bovenkant van de parkeernorm aan. [adviesbureau] is daarom uitgegaan van de volgende parkeernormen:
- huur appartement goedkoop 1,5
- huur huis tussen sociaal 1,7
- bezoekers 0,3.
4.4.
[adviesbureau] berekent een toegenomen parkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in 10 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de overige 18 plaatsen moet worden beoordeeld of de openbare ruimte deze behoefte kan opvangen.
4.5.
[adviesbureau] heeft op vier momenten de parkeerdruk beoordeeld. De vier parkeertellingen zijn gedaan op: donderdagavond 29 februari 2024 van 20:00 - 21:00 uur, donderdagnacht 29 februari 2024 van 02:00 - 03:00 uur, zaterdagmiddag 2 maart 2024 van 14:00 - 15:00 uur en zaterdagavond 2 maart 2024 van 20:00 - 21:00 uur. De werkdagnacht en zaterdagavond zijn voor de gesaldeerde parkeerbehoefte maatgevend.
4.6.
In het parkeeradvies van [adviesbureau] is geconcludeerd dat tijdens een werkdagnacht van 2:00 en 3:00 uur, als de bezetting het hoogste is, namelijk 81%, er voldoende plekken aanwezig zijn in de openbare ruimte op een loopafstand van 125 meter van het perceel om de extra parkeerbehoefte op te vangen. Binnen een loopafstand van 125 meter vanaf het perceel zijn 92 motorvoertuigen waargenomen. De capaciteit van dit onderzoekgebied is 113. Dat wil zeggen dat er 21 lege parkeerplekken zijn, waarvan er 85% kunnen worden benut voor de nieuw te realiseren woningen. Afgerond zijn er precies 18 plekken beschikbaar (21 maal 85%).
4.7.
Het college heeft de omgevingsvergunning in het bestreden besluit in stand gelaten omdat, gelet op de uitkomst van het parkeeronderzoek, aan de parkeerbehoefte van het bouwplan kan worden voldaan. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het in dit geval acceptabel is om een loopafstand van 125 meter aan te houden, in plaats van de geadviseerde loopafstand van 100 meter in de CROW-richtlijnen, omdat het om starterswoningen gaat en de toekomstige bewoners daarom prima in staat zullen zijn om de extra loopafstand te overbruggen.
Heeft het college het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid?
5. Eiseres betoogt dat het college geen gedegen onderzoek heeft gedaan naar de parkeerdruk in de omgeving van het bouwplan. De parkeerdruk is volgens eisers het hoogst op donderdagen en vrijdagen van 17:00-19:00 uur, wanneer mensen terugkomen van hun werk en de nabije horeca bezocht wordt. Ook is de parkeerdruk in de periode van 1 april tot 1 oktober aanzienlijk hoger dan in andere periodes. Het college had de parkeerdruk op deze momenten moeten meten om een goed beeld te krijgen. Daarnaast is volgens eiseres de invloed van de nabijgelegen horeca ten onrechte niet meegenomen in het parkeeronderzoek. Eiseres heeft een eigen berekening gemaakt van de parkeerdruk. Daarbij is eiseres uitgegaan van een parkeerdruk van 1,7 auto per huishouden, een parkeerdruk van 10 auto’s per 100 m2 voor een restaurant en een parkeerdruk van 5 auto’s per 100 m2 voor een café / cafetaria. Binnen een afstand van 125 meter van het perceel zijn 116 beschikbare plaatsen volgens eiseres. Voor de 95 woningen is er volgens eiseres een parkeerdruk van 161,5 auto’s. Dan is er nog eens een parkeerdruk van 31 auto’s voor de nabije horecagelegenheden. Bij elkaar opgeteld komt eiseres op een parkeerdruk van 192,5 auto’s. Dat levert volgens eiseres in de huidige situatie al een te hoge parkeerdruk op. Met de 21 nieuwe woningen komt er nog een extra behoefte aan 35,7 parkeerplaatsen, waarvan 10 op eigen terrein worden gerealiseerd, zodat er in totaal een parkeerdruk is van 192,5 + 25,7 = 218,2 auto’s. Eiseres heeft de rechtbank verzocht aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden dat er nog 25 extra parkeerplekken (op eigen terrein) gerealiseerd moeten worden.
6. Uitgangspunt in vaste rechtspraak is dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. De bestaande parkeerbehoefte dient in zekere mate objectief vastgesteld te kunnen worden. Hierbij hoeft niet alleen rekening te worden gehouden met een vergunde situatie.
7. De rechtbank komt tot oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld, onder verwijzing naar het parkeeradvies van [adviesbureau], dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeeronderzoek van [adviesbureau] is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. Daarin is naar de bezettingsgraad tijdens vier piekmomenten gekeken. Uit de meting van de werkdagnacht met de hoogste bezettingsgraad is gebleken dat er een nog 21 parkeerplekken beschikbaar waren die voor 85% door de toekomstige bewoners en bezoekers kunnen worden gebruikt. De 18 plaatsen die niet op eigen terrein worden voorzien kunnen daarmee worden opgevangen in de openbare ruimte. De rechtbank acht deze conclusie uit het parkeeradvies navolgbaar. Eiseres heeft tegenover het parkeeradvies van [adviesbureau] geen ander parkeerdeskundig advies in het geding gebracht. In hetgeen eiseres over het parkeeradvies naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het college, om een goed beeld te krijgen van de parkeerdruk op een donderdag en vrijdag tussen 17:00 en 19:00 uur had moeten meten.
Conclusie
8. Het is beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9859
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
Buurtvereniging [stadsdeel], uit [plaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, het college
(gemachtigde: [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Goodwin Westbay B.V. uit Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. M.A. van Kleef).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van 21 woningen en een winkel/bedrijfsruimte op het perceel [perceel] te [plaats]. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 8 december 2023 heeft het college vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 21 woningen en een winkel/bedrijfsruimte op het perceel [perceel] te [plaats].
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 2], [naam 3] en [naam 4] namens eiseres, de gemachtigde van het college en [naam 5] namens het college en de gemachtigde van vergunninghouder, [naam 6] en [naam 7] namens vergunninghouder.
Beoordeling
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag is ingediend op 12 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel [perceel] in [plaats] en wil het daar bestaande bedrijfsgebouw transformeren tot 21 (starters)woningen, bestaande uit 7 grondgebonden woningen en 14 appartementen (in een hofjesachtige setting) en een winkel/bedrijfsruimte met een oppervlak van 53 m2. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
4.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Het bezwaar is gericht tegen de gehanteerde rekenmethode voor het berekenen van de parkeerdruk. Naar aanleiding van het bezwaar is adviesbureau [adviesbureau] ([adviesbureau]) gevraagd een parkeeronderzoek uit te voeren. [adviesbureau] heeft op 10 oktober 2024 een parkeeradvies uitgebracht.
4.2.
Op grond van artikel 6.2, vijfde lid, van de regels van het ter plaatse geldende bestemminsplan ‘[bestemmingsplan]’ dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte, tenzij aantoonbaar structureel in een andere oplossing kan worden voorzien.
4.3.
Het college hanteert bij de beoordeling van de parkeerbehoefte de parkeerrichtlijnen van CROW uit 2021. In overeenstemming met Leidraad Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente [plaats] (LIOR) houdt het college de bovenkant van de parkeernorm aan. [adviesbureau] is daarom uitgegaan van de volgende parkeernormen:
- huur appartement goedkoop 1,5
- huur huis tussen sociaal 1,7
- bezoekers 0,3.
4.4.
[adviesbureau] berekent een toegenomen parkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in 10 parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de overige 18 plaatsen moet worden beoordeeld of de openbare ruimte deze behoefte kan opvangen.
4.5.
[adviesbureau] heeft op vier momenten de parkeerdruk beoordeeld. De vier parkeertellingen zijn gedaan op: donderdagavond 29 februari 2024 van 20:00 - 21:00 uur, donderdagnacht 29 februari 2024 van 02:00 - 03:00 uur, zaterdagmiddag 2 maart 2024 van 14:00 - 15:00 uur en zaterdagavond 2 maart 2024 van 20:00 - 21:00 uur. De werkdagnacht en zaterdagavond zijn voor de gesaldeerde parkeerbehoefte maatgevend.
4.6.
In het parkeeradvies van [adviesbureau] is geconcludeerd dat tijdens een werkdagnacht van 2:00 en 3:00 uur, als de bezetting het hoogste is, namelijk 81%, er voldoende plekken aanwezig zijn in de openbare ruimte op een loopafstand van 125 meter van het perceel om de extra parkeerbehoefte op te vangen. Binnen een loopafstand van 125 meter vanaf het perceel zijn 92 motorvoertuigen waargenomen. De capaciteit van dit onderzoekgebied is 113. Dat wil zeggen dat er 21 lege parkeerplekken zijn, waarvan er 85% kunnen worden benut voor de nieuw te realiseren woningen. Afgerond zijn er precies 18 plekken beschikbaar (21 maal 85%).
4.7.
Het college heeft de omgevingsvergunning in het bestreden besluit in stand gelaten omdat, gelet op de uitkomst van het parkeeronderzoek, aan de parkeerbehoefte van het bouwplan kan worden voldaan. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het in dit geval acceptabel is om een loopafstand van 125 meter aan te houden, in plaats van de geadviseerde loopafstand van 100 meter in de CROW-richtlijnen, omdat het om starterswoningen gaat en de toekomstige bewoners daarom prima in staat zullen zijn om de extra loopafstand te overbruggen.
Heeft het college het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid?
5. Eiseres betoogt dat het college geen gedegen onderzoek heeft gedaan naar de parkeerdruk in de omgeving van het bouwplan. De parkeerdruk is volgens eisers het hoogst op donderdagen en vrijdagen van 17:00-19:00 uur, wanneer mensen terugkomen van hun werk en de nabije horeca bezocht wordt. Ook is de parkeerdruk in de periode van 1 april tot 1 oktober aanzienlijk hoger dan in andere periodes. Het college had de parkeerdruk op deze momenten moeten meten om een goed beeld te krijgen. Daarnaast is volgens eiseres de invloed van de nabijgelegen horeca ten onrechte niet meegenomen in het parkeeronderzoek. Eiseres heeft een eigen berekening gemaakt van de parkeerdruk. Daarbij is eiseres uitgegaan van een parkeerdruk van 1,7 auto per huishouden, een parkeerdruk van 10 auto’s per 100 m2 voor een restaurant en een parkeerdruk van 5 auto’s per 100 m2 voor een café / cafetaria. Binnen een afstand van 125 meter van het perceel zijn 116 beschikbare plaatsen volgens eiseres. Voor de 95 woningen is er volgens eiseres een parkeerdruk van 161,5 auto’s. Dan is er nog eens een parkeerdruk van 31 auto’s voor de nabije horecagelegenheden. Bij elkaar opgeteld komt eiseres op een parkeerdruk van 192,5 auto’s. Dat levert volgens eiseres in de huidige situatie al een te hoge parkeerdruk op. Met de 21 nieuwe woningen komt er nog een extra behoefte aan 35,7 parkeerplaatsen, waarvan 10 op eigen terrein worden gerealiseerd, zodat er in totaal een parkeerdruk is van 192,5 + 25,7 = 218,2 auto’s. Eiseres heeft de rechtbank verzocht aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden dat er nog 25 extra parkeerplekken (op eigen terrein) gerealiseerd moeten worden.
6. Uitgangspunt in vaste rechtspraak is dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. De bestaande parkeerbehoefte dient in zekere mate objectief vastgesteld te kunnen worden. Hierbij hoeft niet alleen rekening te worden gehouden met een vergunde situatie.
7. De rechtbank komt tot oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld, onder verwijzing naar het parkeeradvies van [adviesbureau], dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeeronderzoek van [adviesbureau] is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. Daarin is naar de bezettingsgraad tijdens vier piekmomenten gekeken. Uit de meting van de werkdagnacht met de hoogste bezettingsgraad is gebleken dat er een nog 21 parkeerplekken beschikbaar waren die voor 85% door de toekomstige bewoners en bezoekers kunnen worden gebruikt. De 18 plaatsen die niet op eigen terrein worden voorzien kunnen daarmee worden opgevangen in de openbare ruimte. De rechtbank acht deze conclusie uit het parkeeradvies navolgbaar. Eiseres heeft tegenover het parkeeradvies van [adviesbureau] geen ander parkeerdeskundig advies in het geding gebracht. In hetgeen eiseres over het parkeeradvies naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het college, om een goed beeld te krijgen van de parkeerdruk op een donderdag en vrijdag tussen 17:00 en 19:00 uur had moeten meten.
Conclusie
8. Het is beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313.