Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:2585
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,943 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1447
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit om de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen.. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Cyprus een verzoek om terugname gedaan. Cyprus heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Kan ten aanzien van Cyprus van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel: opvang
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Cyprus niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister verwijst voor zijn standpunt dat wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 9 februari 20212, maar deze uitspraak is inmiddels volledig achterhaald. Ten tijde van de uitspraak was er nog hulp van Social Welfare Services bij het zoeken van privéhuisvesting (Aida-rapport Cyprus Update 2019, pagina 68), maar asielzoekers zijn op dit moment op zichzelf aangewezen voor het vinden van privéhuisvesting (Aida-rapport Update 2023, pagina 96). Uit de brief van de Cypriotische autoriteiten3, van 9 augustus 2024, blijkt dat de opvangcapaciteit wordt opgeschaald naar 1700 bedden, maar dat verhoudt zich niet tot de 24.000 asielzoekers die er zijn. Hierdoor zijn veel asielzoekers aangewezen op privéhuisvesting, welke ook maar beperkt beschikbaar is. Hierdoor ondervinden met name alleenstaande mannen, zoals eiser, problemen met het vinden van huisvesting. Daarbij komt dat uit het Aida-rapport, Update 2023 (pagina 25 en 26), blijkt dat de financiële bijdrage van de Cypriotische autoriteiten niet toereikend is, als deze al kan worden verkregen gezien de strenge administratieve eisen voor het verkrijgen van een bankrekening (Aida-rapport Update 2023 pagina 84). Dit is in strijd met artikel 17, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn. Eiser heeft dan ook gegronde vrees dat hij bij overdracht aan Cyprus terecht komt in een situatie van zeer vergaande materiële deprivatie, die hem niet in staat zal stellen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften (arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, en Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219).
6. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Cyprus zijn verplichtingen nakomt. De Afdeling heeft op 9 februari 2021 geoordeeld dat de minister op basis van de toen bekende informatie van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Cyprus mocht worden uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin geslaagd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. Niet in geschil is dat er te weinig reguliere opvangplekken zijn voor het aantal asielzoekers. Op basis van de brief van de Cypriotische autoriteiten, van 9 augustus 2024, beschikt het aanmeldcentrum in Cyprus (Pournara) over 1.500 bedden en 1.000 extra bedden voor noodgevallen. Daarnaast zijn er twee andere opvangcentra (Kofinou en Limnes) met een totale capaciteit van 600 bedden, welk aantal uitgebreid zal worden naar 1700 bedden. Verder is er opvang beschikbaar voor niet-begeleide minderjarige en kwetsbare personen. Het huidige aantal asielzoekers bedraagt 24.000. Veruit de meeste asielzoekers zijn daarom op privéhuisvesting aangewezen. Waar ten tijde van de Afdelingsuitspraak van 9 februari 2021, gezien het toen geldende Aida-rapport4, er nog vanuit gegaan werd dat - alhoewel ook toen van asielzoekers werd verwacht dat zij
2 ECLI:NL:RVS:2021:244.
3 Brief van het Deputy Ministry of Migration and International Protection of the Republic of Cyprus van 9 augustus 2024.
4 Anders dan eiser stelt is dit het Aida-rapport Cyprus, Update 2018, van maart 2019.
zelfstandig huisvesting zouden vinden - asielzoekers daarbij hulp konden krijgen van de sociale diensten bij dreigende dakloosheid, is dat nu anders (p. 67-68). Uit het Aida-rapport, update 2023, blijkt dat er – buiten een aantal uitzonderlijke gevallen - geen hulp en geen voorzieningen beschikbaar zijn bij het verkrijgen van privéhuisvesting (p. 96 en 103).
Verder blijkt uit het Aida-rapport, update 2023, dat het - voor het overgrote deel van de asielzoekers – problematisch is om privéhuisvesting te vinden en dat zij een toenemend risico lopen op dakloosheid, slechte woon omstandigheden en uitbuiting door agents, huiseigenaren en anderen personen binnen de gemeenschap. De grote vraag naar woonruimte heeft geleid tot een scherpe stijging van de huurprijzen, waardoor het gat tussen de huurprijzen en de financiële toelage nog groter is geworden. Daarbij dekt de toelage geen aanvullende zaken, zoals een vooruitbetaling, borg e.d. Uit het Aida-rapport, update 2023, blijkt dat een asielzoeker dient te beschikken over een bankrekening om in aanmerking te komen voor de financiële toelage (p. 87). Voor het verkrijgen van een bankrekening worden administratieve eisen gesteld zoals het kunnen overleggen van een huurcontract getekend door twee Cypriotische burgers, een paspoort en/of afschriften van energierekeningen op naam van de aanvrager van het huurcontract. Ook is in veel gevallen een afschrift van een blanco strafblad afgegeven door het land van herkomst vereist. Hierdoor is het in de praktijk moeilijk om een financiële bijdrage te verkrijgen. Tot slot blijkt zowel uit het Aida-rapport, update 2023, als uit de brief van de Cypriotische autoriteiten dat de financiële toelage (voor huur) slechts een geldbedrag van €100,- bedraagt, op basis van een eenpersoonshuishouden (p. 89). Dit bedrag dekt de totale huurkosten niet. De financiële toelage voor huur en de overige toelages voor het levensonderhoud bieden dus geen zekerheid voor een waardige levensstandaard. Vorenstaande heeft geresulteerd in een toename van dakloosheid en een groot aantal asielzoekers dat leeft in erbarmelijke omstandigheden. Eiser heeft – met de verwijzing naar het Aida-rapport en de brief van de Cypriotische autoriteiten – naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat Cypriotische autoriteiten niet voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 17, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.
8. De verwijzing van de minister naar de brief van de Cypriotische autoriteiten en zijn standpunt ter zitting geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de brief van de Cypriotische autoriteiten blijkt dat er mondelinge en schriftelijke informatie - ten aanzien van het zoeken naar woonruimte - verkregen wordt, maar deze informatie bevat slechts informatie op hoofdpunten. De stelling van de minister ter zitting dat hulp van NGO’s verkregen wordt is niet onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de brief van de Cypriotische autoriteiten. In de brief van de Cypriotische autoriteiten wordt verder niet ingegaan op voornoemde moeilijkheden die asielzoekers ervaren bij het verkrijgen van woonruimte. Daarnaast blijkt uit de brief van de Cypriotische autoriteiten dat vanwege het beperkte aanbod van privéhuisvesting vooral alleenstaande mannen moeilijkheden ondervinden bij het vinden van huisvesting. Eiser behoort tot deze groep.
Conclusie
12. Het beroep is gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 6 en 7 is overwogen gegrond. De minister heeft in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien noch aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar verwachting de behandeling van de zaak niet zal bespoedigen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 6 weken de tijd.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 10 januari 2025;
draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.