Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:25681
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,980 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7770
Zaaknummer: C/09/693028
Datum beschikking: 2 december 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 14 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahabazi in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.R. Arema in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2020 in [plaats 1].
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] verblijft bij de vader.
Door de vader is op 5 juni 2025 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/686407 / FA RK 25-4220.
Bij beschikking van 20 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald:
dat de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats] en beveelt mitsdien dat de moeder die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] aan de vader zal worden toevertrouwd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder strekt ertoe dat:
een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] als volgt bij de moeder is:
in de eerste maand: [minderjarige] en de moeder hebben twee keer per week voor de duur van 2 uur contact, waarbij onderling overleg plaatsvindt over de dagen en de tijden;
in de tweede maand: [minderjarige] en de moeder hebben een halve dag contact per week, waarbij de vader [minderjarige] om 12:00 uur brengt en om 17:30 uur weer ophaalt, waarbij onderling overleg plaatsvindt over welke dag;
vanaf de derde maand: [minderjarige] hebben elke twee weken een geheel weekend contact met elkaar waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag om 09:30 uur bij de moeder afzet en op zondag om 12:00 uur weer ophaalt;
danwel een voorlopige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in redelijkheid juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden, onmogelijkheden en draagkracht voor een zorg- en contactregeling.
Beoordeling
Voorlopige zorgregeling
De moeder heeft verzocht om een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Ze heeft [minderjarige] al langere tijd niet gezien, als gevolg van de opname in een GGZ-instelling, en wil graag het contact herstellen. De moeder geeft aan dat het misschien helpend kan zijn als zij zelf uitleg kan geven over haar ziekte aan [minderjarige].
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over hoe het nu verder moet. Beide ouders onderschrijven het belang van contact tussen de moeder en [minderjarige], en dat daarbij de draagkracht en het tempo van [minderjarige] leidend moet zijn. Om deze reden hebben de ouders afgesproken dat de regie van het contactherstel bij het Kernteam [plaats 2] wordt gelegd. Daarnaast zal de moeder meer betrokken worden bij de hulpverlening van [minderjarige] die zij krijgt via het Kernteam. De moeder heeft toestemming geven zodat het Kernteam [plaats 2] contact mag opnemen met haar GGZ-behandelaren om onderling tot een plan van aanpak te komen. Nadat deze afspraken zijn gemaakt heeft de moeder haar verzoeken ingetrokken. De rechtbank zal daarom vaststellen dat er niets meer te beslissen valt.
Raadsonderzoek
Namens de vader is verzocht een raadsonderzoek te gelasten ten behoeve van de beslissingen die in de echtscheidingsprocedure genomen zullen moeten worden. Met de ouders is besproken dat de rechtbank – samen met de Raad – op dit moment een raadsonderzoek niet aangewezen vindt, omdat er de komende tijd nog veel gaat veranderen. Daarnaast heeft de rechtbank de verwachting dat de ouders door de betrokkenheid van de hulpverlening in staat zullen zijn samen afspraken te maken over het contact met [minderjarige], zeker nu beide ouders duidelijk haar belang voorop zetten.
Dictum
De rechtbank:
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek van de moeder en wijst af het verzoek van de vader..
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7770
Zaaknummer: C/09/693028
Datum beschikking: 2 december 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 14 oktober 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahabazi in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.R. Arema in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2020 in [plaats 1].
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats].
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] verblijft bij de vader.
Door de vader is op 5 juni 2025 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/686407 / FA RK 25-4220.
Bij beschikking van 20 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald:
dat de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ([postcode]) te [woonplaats] en beveelt mitsdien dat de moeder die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] aan de vader zal worden toevertrouwd.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder strekt ertoe dat:
een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] als volgt bij de moeder is:
in de eerste maand: [minderjarige] en de moeder hebben twee keer per week voor de duur van 2 uur contact, waarbij onderling overleg plaatsvindt over de dagen en de tijden;
in de tweede maand: [minderjarige] en de moeder hebben een halve dag contact per week, waarbij de vader [minderjarige] om 12:00 uur brengt en om 17:30 uur weer ophaalt, waarbij onderling overleg plaatsvindt over welke dag;
vanaf de derde maand: [minderjarige] hebben elke twee weken een geheel weekend contact met elkaar waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag om 09:30 uur bij de moeder afzet en op zondag om 12:00 uur weer ophaalt;
danwel een voorlopige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in redelijkheid juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek gaat doen naar de mogelijkheden, onmogelijkheden en draagkracht voor een zorg- en contactregeling.
Beoordeling
Voorlopige zorgregeling
De moeder heeft verzocht om een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Ze heeft [minderjarige] al langere tijd niet gezien, als gevolg van de opname in een GGZ-instelling, en wil graag het contact herstellen. De moeder geeft aan dat het misschien helpend kan zijn als zij zelf uitleg kan geven over haar ziekte aan [minderjarige].
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over hoe het nu verder moet. Beide ouders onderschrijven het belang van contact tussen de moeder en [minderjarige], en dat daarbij de draagkracht en het tempo van [minderjarige] leidend moet zijn. Om deze reden hebben de ouders afgesproken dat de regie van het contactherstel bij het Kernteam [plaats 2] wordt gelegd. Daarnaast zal de moeder meer betrokken worden bij de hulpverlening van [minderjarige] die zij krijgt via het Kernteam. De moeder heeft toestemming geven zodat het Kernteam [plaats 2] contact mag opnemen met haar GGZ-behandelaren om onderling tot een plan van aanpak te komen. Nadat deze afspraken zijn gemaakt heeft de moeder haar verzoeken ingetrokken. De rechtbank zal daarom vaststellen dat er niets meer te beslissen valt.
Raadsonderzoek
Namens de vader is verzocht een raadsonderzoek te gelasten ten behoeve van de beslissingen die in de echtscheidingsprocedure genomen zullen moeten worden. Met de ouders is besproken dat de rechtbank – samen met de Raad – op dit moment een raadsonderzoek niet aangewezen vindt, omdat er de komende tijd nog veel gaat veranderen. Daarnaast heeft de rechtbank de verwachting dat de ouders door de betrokkenheid van de hulpverlening in staat zullen zijn samen afspraken te maken over het contact met [minderjarige], zeker nu beide ouders duidelijk haar belang voorop zetten.
Dictum
De rechtbank:
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek van de moeder en wijst af het verzoek van de vader..
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.