Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:2568
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,645 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.8155
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. Y. Ersoy),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker om de signalering in het Schengen informatiesysteem (hierna: SIS III) voor de duur van twee jaar te verwijderen totdat op het bezwaar is beslist en/of om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het moment waarop op het bezwaarschrift of (hoger) beroepschrift is beslist.
1.1.
Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft de minister verzoeker gesignaleerd in SIS III voor de duur van twee jaar. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Achtergrond en besluitvorming
4. Verzoeker is uitgenodigd als spreker door de Dawah Groep voor een evenement, de Ramadan Expo 2025. Dit evenement staat gepland op 22 februari en 23 februari 2025. Het evenement start in de avond van 21 februari 2025. Op 5 februari heeft de IND naar aanleiding van berichten in de media over de komst van verzoeker de NCTV verzocht om een persoonsgerichte duiding. Op woensdag 12 februari 2025 is tijdens een vergadering in de Tweede Kamer een motie ingediend tegen de komst van deze sprekers. Op 17 februari 2025 is er een Quickscan (dit is de persoonsgerichte duiding) ontvangen van de NCTV.
5. De minister stelt dat deze Quickscan aanleiding geeft om verzoeker te weren. De minister concludeert dat de komst van verzoeker naar Nederland een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister neemt hiervoor mee dat verzoeker uitlatingen heeft gedaan die kunnen bijdragen aan een klimaat van haat, vijandigheid en geweldsverheerlijking.
Standpunt verzoeker
6. Verzoeker stelt dat ten onrechte hem de toegang tot Nederland ontzegd wordt. De
reden zou zijn dat hij bepaalde uitlatingen zouden hebben gedaan. Welke uitlatingen dit zijn
geweest en hoe die zijn gedaan, is onbekend en wordt door de minister op geen enkele manier aangetoond. Daarnaast is het besluit op populistische, onredelijke, onjuiste en onzorgvuldige manier genomen zonder rekening te houden met de grondrechten van verzoeker en zonder een deugdelijk besluitvormingsproces. Het besluit van de minister lijkt niet gebaseerd te zijn op een objectieve juridische grondslag, maar eerder op politieke opportuniteit. De minister heeft geen concrete bewijzen aangedragen dat de aanwezigheid van verzoeker als spreker een daadwerkelijk gevaar oplevert voor de openbare orde, noch dat zijn uitspraken aanzetten tot haat of geweld. De door het kabinet genoemde uitspraken vallen binnen de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting, tenzij zij aanzetten tot haat of geweld. Er is echter geen enkel bewijs dat verzoeker heeft opgeroepen tot geweld, opruiing of enige andere strafbare handeling. Hierdoor is er dan ook geen enkele grond om verzoeker niet tot Nederland toe te laten. Bovendien heeft de politie reeds verklaard dat “op geen van de sprekers een verontrustend signaal te vinden is en er op dit moment geen aanleiding is om aan te nemen dat er een veiligheidsrisico bestaat.” Ook de timing om dit besluit op de dag van de komst van de vreemdeling bekend te maken, is zeer onredelijk. Het besluit is in strijd met de (internationale verdragen) grondrechten van verzoeker en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Oordeel van de voorzieningenrechter
7. De minister heeft verzoeker gesignaleerd op grond van artikel 24, eerste lid, van de verordening (EU) 2018/1861.
7.1.
De voorzieningenrechter constateert allereerst dat de minister in het besluit in het geheel geen woorden heeft gewijd aan artikel 24, tweede lid van de Verordening. In dit artikel staat beschreven wanneer er sprake is van een bedreiging van de openbare orde. De voorzieningenrechter merkt op dat zij thans niet zal ingaan op de vraag of de onder artikel 24, tweede lid beschreven omstandigheden limitatief van aard zijn. Gelet op de spoedeisendheid van de onderhavige zaak als ook gelet op het feit dat de voorzieningenrechter tot de voorlopige conclusie komt dat het besluit sowieso een voldoende deugdelijke motivering ontbeert voor de gestelde bedreiging van de openbare orde, ziet de voorzieningenrechter aanleiding dit punt thans te laten rusten.
8. De voorzieningenrechter zal daarom ingaan op het punt of de minister verzoeker heeft mogen aanmerken als een gevaar voor de openbare orde en daarom de toegang tot Nederland heeft mogen weigeren.
8.1
Op basis van een individuele evaluatie van de feiten en omstandigheden in verzoekers zaak is de minister naar eigen zeggen tot de conclusie gekomen dat verzoekers komst naar Nederland een bedreiging voor de openbare orde oplevert. Voor deze evaluatie verwijst de minister naar een door haar op 5 februari 2025 aan de NCTV verzochte persoonsgerichte duiding. De NCTV is gemachtigd om op verzoek van de IND persoonsgerichte duidingen op te stellen met als doel het kunnen weren van extremistische sprekers die een gevaar voor de openbare orde/nationale veiligheid vormen. De zogenaamde mandaatregeling 20f biedt hiervoor de grondslag.
In de op 14 februari 2025 ontvangen persoonsgerichte duiding van de NCTV is over verzoeker onder het volgende te lezen:
“Door te ontkennen dat de terroristische aanval van Hamas van 7 oktober 2023 heeft plaatsgevonden, verspreidt
[verzoeker]
desinformatie en bagatelliseert of vergoelijkt hij daden van terrorisme. Dit valt onder een van de criteria van 20F. Zijn uitspraken moeten evenwel in de context worden geplaatst van de Gaza-oorlog en van het bredere Palestijnse-Israëlische conflict waarin beide partijen desinformatie verspreiden en geweld inzetten tegen burgers. De overige uitspraken van [verzoeker] gaan verder terug dan vijf jaar en vallen niet binnen de beoordelingstermijn van de NCTV.”
8.2.
Anders dan de minister stelt, biedt de door NCTV verrichte duiding naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat verzoekers komst naar Nederland (als spreker op de Ramadan Expo 2025) een bedreiging van de openbare orde oplevert. De minister laat in het besluit voorts na te onderbouwen op wat voor wijze de openbare orde in Nederland (of de Europese Unie) in het geding is. Dat verzoekers ontkenning een radicaliserend effect op aanhangers binnen de pro-Palestina beweging kan hebben, is immers niet van een nadere onderbouwing voorzien. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de minister dat verzoekers ontkenning kan bijdragen aan een klimaat van haat, vijandigheid en geweldsverheerlijking. Ook deze conclusie is onvoldoende specifiek van aard om tot de gestelde bedreiging van de openbare orde te komen indien verzoeker naar Nederland komt. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de NCTV ook uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de ontkenning moet worden geplaatst in de context van de Gaza-oorlog en van het bredere Palestijnse-Israëlische conflict waarin beide partijen desinformatie verspreiden en geweld inzetten tegen burgers.
8.3.
De minister heeft in haar schrijven van 20 februari 2025 voorts nog gewezen op de steun van de grote meerderheid van de Tweede Kamer. Zij wijst daarbij op een op 12 februari 2025 aangenomen motie om verzoeker de toegang tot Nederland te ontzeggen en dat zij met het signaleringsbesluit uitvoering heeft gegeven aan deze motie. Ook verwijst de minister naar de burgemeester van de gemeente Utrecht die haar via de NCTV en IND heeft gevraagd om maatregelen te treffen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 19 februari 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
11. Omdat het verzoek is toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van samenhangende zaken in de zaaknummers NL25.7968, NL25.8152 en dit zaaknummer als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voorzieningenrechter wijst daarom voor de veroordeling in de proceskosten naar het zaaknummer NL25.7968, daar is de vergoeding toegekend.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Tegelijkertijd ingediend met NL25.8152 en NL25.7968.
Algemene wet bestuursrecht.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.