Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:25555
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,382 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:25555 text/xml public 2026-02-06T11:00:41 2025-12-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-10-29 AWB - 25 _ 3059 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:25555 text/html public 2026-02-06T11:00:02 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:25555 Rechtbank Den Haag , 29-10-2025 / AWB - 25 _ 3059 WOZ: ongegrond Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/3059 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , heffingsambtenaar. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de heffingsambtenaar van 24 maart 2025 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2024 is vastgesteld op € 663.000 (de beschikking). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Belanghebbende is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.R. Speijers en [naam] . Overwegingen 1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 633.000. 2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 3. Aan de orde is de vraag of het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Dat kan indien belanghebbende voldoende onderbouwt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde in een meerderheid van de met de woning van belanghebbende (nagenoeg) identieke gevallen lager heeft vastgesteld dan de waarde van de woning. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het daarbij gaan om identieke woningen, in die zin dat de onderlinge verschillen tussen de woningen verwaarloosbaar zijn, en dienen ten minste twee identieke woningen te worden opgevoerd. 3.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de woning identiek zou zijn aan zeven andere woningen, die een lagere WOZ-waarde hebben. Belanghebbende heeft verklaard dat de indeling, gebruiksoppervlakte, voorzieningen en het onderhoudsniveau gelijk zouden zijn. De heffingsambtenaar stelt daartegenover dat de woningen wel vergelijkbaar, maar niet identiek zijn, en wijst erop dat de woning van belanghebbende op de bovenste verdieping is gelegen. Dit brengt volgens hem waardeverhogende aspecten met zich mee, zoals meer privacy, beter uitzicht en minder overlast. De door belanghebbende aangedragen objecten bevinden zich op lagere verdiepingen.. De heffingsambtenaar acht de woning wel gelijk aan twee appartementen die zich net als de woning op de bovenste verdieping bevinden – [adres 2] en [adres 3] – en die in gelijke gedateerde staat verkeren. Deze woningen hebben dezelfde WOZ-waarde als de woning van belanghebbende. 3.2. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de zogenoemde meerderheidsregel. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde appartementen in het complex identiek zijn aan de woning. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat het uitzicht wezenlijk verschilt. 3.3. Dat volgens belanghebbende de door de heffingsambtenaar genoemde appartementen die op dezelfde verdieping in andere torens zijn gelegen geen identiek uitzicht hebben maakt niet dat deze niet goed vergelijkbaar zijn voor de waardebepaling. Al deze woningen bevinden zich op de bovenste verdieping en hebben meer privacy, beter uitzicht en minder overlast dan woningen op lager gelegen verdiepingen. De heffingsambtenaar heeft op goede gronden de woning op dezelfde waarde gewaardeerd als de twee appartementen die net als die van belanghebbende op de bovenste verdieping zijn gelegen. 4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van G. Uwineza, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).