Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:25444
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50112 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. F. Boone), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid de machtiging tot binnentreden aan het dossier toe te voegen en eiser in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Eiser heeft op 23 oktober 2025 gereageerd op de machtiging tot binnentreden. Verweerder heeft op 27 oktober 2025 op eiser gereageerd. Op 28 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder nadere zitting uitspraak. Overwegingen Staandehouding 1. Eiser voert aan dat bij de staandehouding van eiser geen rechtsgeldige machtiging tot binnentreden is gebruikt en dat de ophouding op een onjuiste grondslag berust. De machtiging tot binnentreden waar verweerder naar verwijst, was bedoeld om een andere vreemdeling staande te houden in de kamer waar uiteindelijk alleen eiser is aangetroffen. Verweerder kan niet met die machtiging die bedoeld was om een andere vreemdeling in die kamer staande te houden, eiser staande houden. Dit is in strijd met het doel vermeld in de machtiging. 1.1. De daartoe bevoegde ambtenaar mag een woning zonder toestemming van de bewoner betreden als er een redelijk vermoeden bestaat dat er een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft (artikel 53, eerste lid, van de Vw). Ook is dan in beginsel een machtiging tot binnentreden vereist op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). De machtiging moet het doel van het binnentreden vermelden (artikel 6, eerste lid van de Awbi). 1.2. Naar het oordeel van de rechtbank was het binnentreden met deze machtiging (waarin een andere vreemdeling dan eiser staat genoemd) niet onrechtmatig. Uit het proces-verbaal volgt dat eiser is aangetroffen in de woning die bekend stond als de verblijfplaats van een illegaal verblijvende vreemdeling (zie paragraaf A2/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3058). Dat is voldoende om een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van andere aanwezigen op te leveren. Daarom kon eiser op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw worden staandegehouden (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:1062). Ook geldt dat het doel van het binnentreden in de machtiging vermeld stond: het zonder toestemming betreden van de woning voor zover nodig ter uitzetting, overdracht of inbewaringstelling. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6, eerste lid van de Awbi. Ophouding 2. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn ophouding ten onrechte is gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw. Volgens eiser had zijn ophouding moeten worden gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw, omdat zijn identiteit ten tijde van de ophouding niet vaststond en hij niet beschikt over identificerende documenten. 2.1. De verbalisanten hebben eisers identiteit bij de staandehouding vastgesteld aan de hand van de informatie (foto) in de infoset van DT&V. Zijn identiteit was dus al voor aanvang van de ophouding bekend. Verweerder moest de