Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:2539
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
947 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4618
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
1. Verweerder heeft op 14 augustus 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
Verweerder heeft op 30 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank een onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 december 2024 (in de zaak NL24.47780) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de bewaringsmaatregel eerder opgeheven had moeten worden. Eiser wijst erop dat verweerder op 29 januari 2025 een belangenafweging heeft gemaakt die in zijn nadeel is uitgevallen. Op die dag vond een vertrekgesprek plaats en in het verslag daarvan staat dat eiser geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd waardoor de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Tussen 29 en 30 januari is volgens eiser echter niets veranderd. De belangenafweging had daarom al eerder in zijn voordeel moeten uitvallen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Indien een vrijheidsontnemende maatregel langer dan zes maanden duurt, maakt verweerder een verzwaarde belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat eiser volgens de gegevens van verweerder op 10 februari 2025 zes maanden in bewaring zou hebben verbleven. Verweerder heeft toegelicht dat zij de verzwaarde belangenafweging op 30 januari 2025 heeft gemaakt en dat zij dus niet op grond van het vertrekgesprek van 29 januari 2025 tot opheffing heeft besloten. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder deze belangenafweging eerder had moeten maken. De grens van zes maanden was immers nog niet bereikt.
7. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de voortzetting van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.