Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:2503
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,228 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41853
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. Hij heeft op 3 september 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 25 oktober 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft namelijk in een brief aan de rechtbank van 23 januari 2025, onder verwijzing naar een uitdraai uit zijn systeem, laten weten dat uit zijn gegevens blijkt dat eiser sinds 8 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Verder heeft de minister ook nog een claimverzoek van de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten van 20 december 2024 en een claimakkoord van de Nederlandse autoriteiten van 23 december 2024 overgelegd.
3. De gemachtigde van eiser heeft op 23 januari 2025 desgevraagd aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, als een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder de minister te laten weten waar hij verblijft er in beginsel vanuit gegaan wordt dat die
vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als de vreemdeling contact onderhoudt met zijn gemachtigde.1
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en het bericht van de gemachtigde van eiser, stelt de rechtbank vast dat eiser sinds 8 november 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Hieruit volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dat er in dit geval een akkoord ligt van de Nederlandse autoriteiten op een claimverzoek van Duitsland, maakt dit niet anders. Uit de hiervoor onder 4 weergegeven rechtspraak volgt immers dat, in het geval van een MOB-melding, contact met de gemachtigde een vereiste is voor het blijven aannemen van procesbelang. Daarbij komt dat het bestaan van een claimakkoord niet zonder meer betekent dat een vreemdeling ook daadwerkelijk zal worden overgedragen. De minister heeft ter zitting ook aangegeven dat er op dit moment geen overdracht is gepland. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 en van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4094.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.