Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:25015
Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/691081 / JE RK 25-1546 Datum uitspraak: 6 november 2025 Beschikking van de kinderrechter Gedeeltelijke gezagsuitoefening door de gecertificeerde instelling ex artikel 1:265e BW in de zaak naar aanleiding van het verzoek van: Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling), betreffende: - [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] . - [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. De kinderrechter merkt als informant aan: [de oma] , hierna te noemen: de oma vaderszijde, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Het procesverloop De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlagen, van de gecertificeerde instelling. Op 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld, gecombineerd met het verzoek van de gecertificeerde instelling voor vervangende toestemming voor de aanvraag van paspoorten voor de kinderen (zaak- en rekestnummer C/09/690637 / FA RK 25-6443). Op dit verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking van 6 november 2025 beslist. Op de zitting zijn verschenen: [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; de vader; de oma vaderszijde met haar partner, [naam 3] . De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Feiten De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2020. Uit het huwelijk van de ouders zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geboren. De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juni 2024 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 11 juni 2025. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd tot 1 mei 2026 en voor dezelfde duur machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg. Verzoek en verweer Het verzoek van de gecertificeerde instelling strekt ertoe dat: - primair : op grond van artikel 1:265e lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk en voor de resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing toegekend wordt aan de gecertificeerde instelling (naar de rechtbank begrijpt) voor zover het betreft het geven van toestemming voor een medische behandeling; subsidiair : op grond van artikel 1:265h BW vervangende toestemming wordt verleend voor de noodzakelijke medische behandeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met dien verstande dat vervangende toestemming wordt verstrekt voor het laten verrichten van: reguliere controles van de kinderen door de GGD; controles bij de huisarts in [plaats] voor zover dit betrekking heeft op de gezondheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ; reguliere controles bij de tandarts in [plaats] ; op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a BW het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk en voor de resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing toegekend wordt aan de gecertificeerde instelling voor zover het betreft de aanmelding voor de onderwijsinstelling [school] in [plaats] ; in verband met het spoedeisende karakter zo spoedig mogelijk deze toestemming te verlenen, met uitv Ook heeft een arts/behandelaar doorgaans contacten met zorgverleners in de regio, zodat bij doorverwijzing een kind de zorg ook in de regio kan krijgen. Voor de inschrijving bij de huisarts, de tandarts en de GGD moeten beide ouders met gezag toestemming geven. Gebleken is dat de moeder niet reageert op verzoeken van de gecertificeerde instelling, waardoor de inschrijving niet kan plaatsvinden. In taalkundige zin is een inschrijving bij een huisarts, een tandarts of de GGD geen medische behandeling, zoals bedoeld in artikel 1:265e BW. Bij een inschrijving kan wel gesteld worden dat een arts/behandelaar zich verbindt aan het geven van een medische behandeling in de toekomst aan de patiënt. Een inschrijving is daarmee een noodzakelijk voorwaarde om (in geval van reguliere medische zorg) tot een goede langdurige behandelrelatie te komen en kwalitatief goede medische behandelingen te kunnen geven en ontvangen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat in de situatie van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] pas zinvolle invulling kan worden gegeven aan art. 1:265e BW (voor zover gericht op huisarts/tandarts) als zij staan ingeschreven bij een huisarts, een tandarts en de GGD. Het verzoek van de gecertificeerde instelling kan daarmee onder de reikwijdte van dit artikel worden gebracht. De kinderrechter overweegt verder dat artikel 1:265h BW in dit geval minder passend is, omdat dit artikel zich richt op een concrete medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar. In dit geval gaat het om inschrijving voor reguliere medische zorg. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat zij naar verwachting ook hulpverlening zoals een traumagerelateerde behandeling nodig zullen hebben. Op dit moment wordt nog in kaart gebracht welke hulpverlening de kinderen nodig hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet van de gecertificeerde instelling worden verwacht dat zij voor (een) concrete behandeling(en) vervangende toestemming vraagt. De kinderrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling, voor zover dit betrekking heeft op het geven van toestemming voor medische behandelingen, inclusief inschrijving bij een huisarts, een tandarts en de GGD in de omgeving van [plaats] , voor de duur van de uithuisplaatsing. Aangezien overheidsingrijpen als gezagsoverheveling niet verder dan strikt noodzakelijk is kan worden toegewezen en de vader volledig instemt, zal de kinderrechter alleen ten aanzien van de gezagsuitoefening door de moeder het verzoek toewijzen. Op de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat de kinderen op dit moment op de zorgverzekering van de moeder staan ingeschreven en dat zij de kinderen graag willen inschrijven op de zorgverzekering van de vader. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting verzocht om dit ook mee te nemen onder de medische behandelingen. De rechtbank kan niet op dit verzoek beslissen, omdat dit verzoek pas op de zitting is gedaan, de moeder daar niet bij aanwezig was en zij daar dus niet op heeft kunnen reageren. De rechtbank merkt wel op dat zij het in het belang van de kinderen acht dat de moeder hieraan meewerkt. Aanmelding onderwijsinstelling De gecertificeerde instelling stelt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] sinds april 2025 naar de [school] in [plaats] gaan. De moeder heeft hier formeel geen toestemming voor gegeven en er is al langere tijd geen contact met haar te krijgen. De vader en de oma vaderszijde zijn het eens met de inschrijven en hebben daarvoor al getekend. Enkel de toestemming van de moeder ontbreekt, waardoor de gecertificeerde instelling het van belang vindt dat zij namens de kinderen kan optreden en de inschrijving definitief kan bekrachtigen. Op dit moment wordt de