Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:25010
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3092 (bodemzaak) en FA RK 25-3089 (223 Rv) Zaaknummer: C/09/684184 (bodemzaak) en C/09/684180 (223 Rv) Datum beschikking: 3 november 2025 Wijziging alimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Beschikking op het op 23 april 2025 ingekomen verzoek van: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H. Devkinandan in Zoetermeer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [jongmeerderjarige], de inmiddels jong-meerderjarige, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. D.B. den Hartog in Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man; het bericht van 1 mei 2025, met bijlage, namens de man; het verweerschrift namens de jong-meerderjarige; het aangepaste verzoekschrift, namens de man; het bericht van 27 augustus 2025, namens de man; het bericht van 26 september, met bijlagen, namens de man; de brief van 29 september 2025, met bijlagen, namens de jong-meerderjarige. Op 6 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en [jongmeerderjarige] met zijn advocaat. Bij aanvang van de procedure is [de vrouw], de moeder van [jongmeerderjarige] (hierna: de vrouw), aangemerkt als belanghebbende. Aangezien de man op de zitting zijn verzoek heeft gewijzigd en nu verzoekt om wijziging van de kinderalimentatie vanaf een ingangsdatum waarop [jongmeerderjarige] al jong-meerderjarig was, merkt de rechtbank de vrouw niet meer aan als belanghebbende. Feiten De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van de inmiddels jong-meerderjarige. De jong-meerderjarige verblijft bij de vrouw. Bij beschikking van 16 april 2024 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang: het vaderschap van de man over de jong-meerderjarige vastgesteld; bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 december 2023, een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] van € 162,- per maand en -geïndexeerd- vanaf 1 januari 2024 € 172,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie/alimentatie voor de jong-meerderjarige sinds 1 januari 2025 € 183,- per maand. De man is op [datum] 2017 opnieuw in het huwelijk getreden. Uit dit huwelijk zijn twee op dit moment nog minderjarige kinderen geboren. Verzoek en verweer De man verzoekt -met wijziging van de beschikking van 16 april 2024 van deze rechtbank-: in de bodemprocedure: de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] op nihil te stellen, primair met ingang van 21 november 2023, subsidiair met ingang van 1 januari 2024, meer subsidiair met ingang van 1 april 2025 en meest subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens; bij wijze van voorlopige voorziening: de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] op nihil te stellen met ingang van 1 april 2025, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Op de zitting heeft de man zijn verzoek in de bodemprocedure ten aanzien van de ingangsdatum gewijzigd. Hij verzoekt nu als ingangsdatum 1 april 2025 te hanteren. De jong-meerderjarige voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de recht De financiële draagkracht van partijen dient conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.125,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. Draagkracht vrouw De jong-meerderjarige heeft geen inkomensgegevens van de vrouw overgelegd, zodat de rechtbank zal uitgaan van de gegevens uit de door de man overgelegde berekening, welke door de jong-meerderjarige niet zijn betwist. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een inkomen van de vrouw van € 3.009,- per maand. Rekening houdend met 8% vakantiegeld, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.744,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 428,- per maand, te weten 70% x [2.744 - (0,3 x 2.744 + 1.310)]. Draagkracht man De man is ondernemer in de muziekwereld als artiest. De man stelt dat hij nog geopereerd moet worden aan zijn schouder en dat hij sinds de operatie aan zijn liesbreuk voorzichtiger moet zijn met tillen. Daardoor lukt het hem niet meer om zijn geluidsinstallatie te verhuren en moet hij voor zijn eigen optredens ook een geluidsinstallatie huren, omdat hij die niet meer kan tillen. Ook geeft de man onderbouwd aan dat de operatie aan zijn liesbreuk niet goed is gegaan, waardoor hij binnenkort een nieuwe scan moet laten maken. De man stelt dat hij op dit moment alleen rondkomt vanwege bedragen die zijn schoonouders overmaken, maar dat zij hiermee gaan stoppen. De jong-meerderjarige geeft aan dat de man nog steeds actief is als ondernemer. Daarbij geeft [jongmeerderjarige] aan dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn werkzaamheden na het auto-ongeluk en de operatie niet konden worden hervat of dat de man op dit moment niet in staat is om een gelijkwaardig inkomen te genereren. De rechtbank gaat er op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken van uit dat de man op dit moment een beperkte mogelijkheid heeft om inkomen te genereren, wat mogelijk is veroorzaakt door fysieke klachten. Van 2025 zijn er geen financiële gegevens voorhanden. De rechtbank zal daarom in redelijkheid uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 (€ 24.933,- per jaar) en 2024 (€ 15.440,- per jaar), zijnde € 20.187,- per jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is gebleken dat de klachten die de man als gevolg van het auto-ongeluk heeft blijvend zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de man op de langere termijn in staat zal zijn om zijn inkomen bij te stellen. Op de zitting is namens de jong-meerderjarige gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met door de man gedane onttrekkingen aan het ondernemersvermogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiermee rekening te houden, omdat die onderdelen vanuit de winst zijn uitgekeerd en er daarmee een dubbeltelling zou ontstaan. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man op € 1.614,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Bij een NBI onder € 1.875,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI van de man lager is dan € 1.875,- geldt met toepassing van de draagkrachttabel (2025) in beginsel een draagkracht van € 50,- per maand voor de man voor zijn drie kinderen. De rechtbank stelt vast dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in het inkomen van zijn huidige partner, de moeder van de twee jongste kinderen. De man stelt dat zij een uitkering ontvangt, maar heeft dit niet (met stukken) onderbouwd. De rechtbank zal daarom in red