Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:2477
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,003 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28710
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, die ertoe strekt dat verzoekster niet wordt uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.
1.1.
Met het besluit van 17 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om haar uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
Beoordeling
Over het griffierecht
2. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen
van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De voorzieningenrechter stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde eigen verklaring over de afwezigheid van vermogen en inkomen vast dat verzoekster aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Verzoekster hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Over het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan onder meer als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De minister heeft in een brief van 19 december 2024 laten weten dat zij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.
S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 januari 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.