Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:24651
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-839 Zaaknummer: C/09/660898 Datum beschikking: 20 november 2025 Kinderalimentatie Beschikking op het op 2 februari 2024 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: eerst mr. B.M.C.M. Hiddes, nu mr. B.L.A. Bancken te Haarlem. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Ganga te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met 30 producties, van de zijde van de vader; het F9-formulier van 20 februari 2024, met als bijlage de geboorteakte van de minderjarige, van de zijde van de vader; het op 3 april 2024 ingekomen verweerschrift met zelfstandig verzoeken, met producties 1 tot en met 32, van de zijde van de moeder; het op 28 mei 2024 ingekomen verweer op de zelfstandige verzoeken, met producties 2 en 3, van de zijde van de vader; het F9-formulier van 21 september 2025, met producties 33 tot en met 39, van de zijde van de moeder; het op 23 september 2025 ingekomen gewijzigde / aanvullende verzoekschrift, met producties 1 en 4 tot en met 14, van de zijde van de vader; de brief van 26 september 2025, met producties 40 tot en met 46, van de zijde van de moeder; het F9-formulier van 29 september 2025, met producties 15 tot en met 18, van de zijde van de vader. Op 1 oktober 2025 om 23:43 uur is namens de moeder nog een F9-formulier ingediend met een wijziging van de zelfstandige verzoeken en bijna 100 pagina’s aan producties. Volgens artikel 1.12 van het Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal dienen processtukken uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling te worden ingediend. De zitting vond plaats op 2 oktober 2025 om 13.15 uur. Dit processtuk is buiten de hiervoor genoemde termijn van drie dagen ingediend. De rechtbank acht de indiening van dit wijzigingsverzoek met een grote hoeveelheid aan producties enkele uren voorafgaand aan de zitting in strijd met de eisen van een goede procesorde. Zoals al op de zitting aan partijen meegedeeld, zal de rechtbank het F9-formulier van 1 oktober 2025 met bijbehorende stukken van de zijde van de moeder daarom buiten beschouwing laten. Op 2 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de moeder zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] . [minderjarige 1] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder. In een door beide ouders in februari 2016 ondertekend ouderschapsplan, zijn zij een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie overeengekomen van € 224,- per maand, iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de kinderalimentatie ieder jaar wordt geïndexeerd. Daarnaast hebben zij afgesproken dat zij maandelijks een bedrag van € 7,50 storten op een Kinder Toekomst Spaarrekening. Verder hebben zij afgesproken dat zij kosten van opleiding, boekengeld, schoolgeld, schoolreisjes en reiskosten etc beiden zullen dragen. Tot slot hebben zij afgesproken dat er jaarlijks in december wordt bekeken of het afgesproken ouderschapsplan nog actueel is en voldoet. Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016 is de door de vader met ingang van 1 februari 2016 te betalen kinderalimentatie van € 224,- per maand vastgelegd, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De vader is op [datum 1] 2018 getrouwd met [naam] , met wie hij een minderjarig kind heeft: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] . In december 2020 hebben de vader en de moeder een ‘verklaring afwijking ouderschapsconvenant ten behoeve van a Volgens de moeder zijn de ouders in de door hen in december 2020 ondertekende ‘verklaring afwijking ouderschapsconvenant ten behoeve van aangiften inkomstenbelasting premie volksverzekeringen 2018 en 2019’ bovendien een niet-wijzigingsbeding overeengekomen. Ter onderbouwing van haar eigen wijzigingsverzoek met ingang van 1 februari 2024 stelt de moeder dat er meerdere gewijzigde omstandigheden zijn, zoals het wijzigen van de zorgregeling, het vervallen en herleven van haar recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting en het wijzigen van de draagkracht van de vader. De rechtbank overweegt als volgt. De vader heeft gesteld dat de tussen de ouders overeengekomen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van begin af aan al te hoog is geweest. Voor zover de vader heeft bedoeld daarmee een beroep te doen op artikel 1:401 lid 5 BW, is gesteld noch gebleken dat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De rechtbank gaat aan dat standpunt dan ook voorbij. Dat de ouders een niet-wijzigingsbeding zouden zijn overeengekomen in de door hen in december 2020 ondertekende verklaring, zoals de moeder stelt en de vader betwist, is de rechtbank niet gebleken. Aan dat standpunt gaat de rechtbank daarom ook voorbij. Tussen de ouders is niet in geschil dat er meerdere wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen in zijn verzoek en de moeder in haar zelfstandige verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank zal hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst en de beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2016. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De vader heeft primair verzocht de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 2 januari 2018, subsidiair met ingang van [datum 2] 2020 en meer subsidiair met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum. De vader stelt dat hij de moeder sinds 2 januari 2018 herhaaldelijk heeft gevraagd om het ouderschapsplan voor wat betreft de afgesproken kinderalimentatie te herzien, waaraan zij niet mee wilde werken. Daarnaast is op [geboortedatum 2] 2020 zijn zoon [minderjarige 2] geboren en moet hij zijn draagkracht sindsdien verdelen over twee kinderen. De moeder is op 1 november 2022 voor het eerst aangeschreven door zijn advocaat. Volgens de vader betaalt hij hierdoor al lange tijd te veel kinderalimentatie, en rechtvaardigt dit de door hem verzochte terugwerkende kracht. De moeder heeft verzocht de kinderalimentatie niet eerder te wijzigen dan met ingang van 1 februari 2024. Pas op die datum heeft de vader daadwerkelijk een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie gedaan. Het klopt dat zij op 1 november 2022 voor het eerst is aangeschreven, maar pas op 3 maart 2023 is er een eerste berekening toegezonden. Na het laatste tegenvoorstel van de moeder op 26 juni 2023, waarmee de vader niet akkoord was, is pas op 1 februari 2024 daadwerkelijk een verzoekschrift ingediend. De moeder stelt dat het op de weg van de vader had gelegen om eerder een verzoek in te dienen, en heeft zij geen rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van wat in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud al is uitgegeven, en dat de rechter, in De moeder heeft in haar herberekening van de behoefte van [minderjarige 1] echter gerekend met zowel het hogere NBI van de vader als met háár NBI. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op Rapport Alimentatienormen, in ieder geval niet juist. Stel dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2020 opnieuw zou moeten worden bepaald op basis van het inkomen van de vader, dan geldt, uitgaande van de door de moeder berekende bedragen, het volgende. Op basis van een NBI van de vader van € 4.320,- in 2020, zou de behoefte van [minderjarige 1] in 2020 € 553,- per maand zijn. Dat bedrag is lager dan de door de vader berekende behoefte van [minderjarige 1] in 2015, die geïndexeerd naar 2020 € 568,- per maand bedraagt. Gelet op het voorgaande en omdat de moeder de door de vader berekende behoefte van [minderjarige 1] voor het overige niet heeft betwist, gaat de rechtbank uit van de behoefte van [minderjarige 1] zoals de vader die heeft berekend. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2024 dan € 655,- per maand en in 2025 € 697,- per maand. Berekeningen voor twee periodes Gebleken is dat de moeder in de periode van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025 geen recht had op kindgebonden budget (KGB) omdat zij toen nog samenwoonde met haar (inmiddels ex-) partner. Vanaf 1 juni 2025 ontvangt zij weer KGB. De vader stelt dat de samenwoning een eigen keuze van de moeder is geweest, en dat het niet redelijk is om dit op hem af te wentelen. De rechtbank overweegt dat indien wijziging wordt verzocht op grond van artikel 1:401 lid 1 BW en de gewijzigde omstandigheden aanwezig zijn, zij gehouden is bij de vaststelling van een onderhoudsbijdrage rekening te houden alle omstandigheden (Hoge Raad 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1480). Daaronder valt naar haar oordeel ook het al dan geen recht hebben op KGB. De moeder heeft aangetoond dat zij in de periode van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025 geen recht had op KGB, en zij dit bedrag dus ook niet te besteden had aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De rechtbank zal daarmee daarom in de draagkrachtberekening van de moeder over die periode geen rekening houden met KGB. Vanaf 1 juni 2025 had de moeder weer recht op KGB, en zal de rechtbank daarmee vanaf dat moment in de draagkrachtberekening van de moeder wel rekening houden. De rechtbank zal hierna daarom twee draagkrachtberekeningen maken: van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025; met ingang van 1 juni 2025. Afwijken woonbudget? Als de rechtbank geen rekening houdt met het KGB, dan moet dat volgens de vader worden gecompenseerd in de woonlasten omdat zij die met haar partner heeft kunnen delen. De moeder heeft betwist dat daarop een correctie plaats moet vinden. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [( 0,3 x NBI) , zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet. Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de moeder van de het woonbudget af te wijken. Berekening 1: van 1 februari 2024 tot 1 juni 2025 Draagkracht van de vader Tussen de vader en de moeder is niet in geschil dat voor de bepaling Op deze manier wordt voorkomen dat het eigen aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] als gevolg van de gezinsuitbreiding bij de vader naar verhouding hoger zou worden. Bij voldoende draagkracht bestaat daarvoor geen goede grond. Zorgkorting Tussen de vader en de moeder is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 164,- per maand (25% van € 655). Conclusie Op basis van de hierboven gemaakte berekening bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 februari 2024 € 354,- per maand. Dat is hoger dan de geïndexeerde huidige kinderalimentatie van € 280,- per maand (in 2024). In het belang van [minderjarige 1] zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2024 daarom wijzigen naar € 354,- per maand. De rechtbank merkt daarbij op dat de wettelijke indexering van artikel 1:402a BW op deze bijdrage van toepassing is per 1 januari 2025. Na toepassing van de indexering (6,5%) bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] € 377,- per maand. Deze bijdrage geldt dus voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 juni 2025. Berekening 2: met ingang van 1 juni 2025 Behoefte van [minderjarige 1] Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 698,- per maand in 2025. Draagkracht van de vader In navolging van partijen zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vader in 2025 met dezelfde financiële gegevens rekenen als in 2024. Op basis daarvan berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 4.299,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan € 1.189,- per maand. Draagkracht van de moeder De rechtbank zal ook voor de bepaling van de draagkracht van de moeder in 2025, net als bij de v met dezelfde inkomensgegevens rekenen als in 2024. Omdat de moeder vanaf 1 juni 2025 weer recht heeft op KGB, houdt de rechtbank daar in deze berekening ook rekening mee. Op basis daarvan berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.015,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de moeder ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 561,- per maand. Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.750,- per maand (€ 1.189 + € 561). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.189 / 1.750 x 698 = € 474 Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 561 / 1.750 x 698 = € 224 samen € 698 Van de totale behoefte van [minderjarige 1] komt een gedeelte van € 474,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 224,- per maand komt voor rekening van de moeder. Aandeel behoefte [minderjarige 2] De vader heeft de behoefte van [minderjarige 2] in 2025 berekend op € 990,- per maand en de draagkracht van zijn vrouw in 2025 op € 1.063,- per maand, wat door de moeder niet is betwist. De gezamenlijke draagkracht van de vader en zijn vrouw bedraagt dus (€ 1.189 + € 1.063) € 2.252,- per maand. Het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] is dus [(1.189 / 2.252) x 990] € 523,- per maand. Dit betekent dat de vader met zijn totale draagkracht van € 1.189,- per maand voldoende draagkracht heeft om zowel zij