Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:24574
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/2249 en SGR 25/2276 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Harrijvan en mr. M.M. Arts), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Boogaard). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijke boete vanwege het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), het openbaar maken van de inspectiegegevens en tegen de waarschuwing preventieve stillegging. Dossier SGR 25/2249 1.1. Met het primaire besluit I van 25 juli 2024 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 51.750,- vanwege het overtreden van artikel 2, eerste lid en artikel 15, eerste lid van de Wav. Met dit besluit is ook besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Met het bestreden besluit I van 5 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Dossier SGR 25/2276 1.2. Met het primaire besluit II van 25 juli 2024 heeft verweerder eiseres een waarschuwing preventieve stillegging als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van de Wav gegeven. Met het bestreden besluit II van 5 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Namens eiseres is ook [naam] verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Naar aanleiding van een melding van de Immigratie- en Naturalisatiedienst over mogelijke illegale arbeid bij eiseres, zijn inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (de inspecteurs) een onderzoek gestart op de naleving van de Wav door eiseres. Het onderzoek is gestart op 28 juni 2023 en had betrekking op de periode 29 juni 2022 tot en met 28 juni 2023. De inspecteurs hebben van 30 werknemers een kopie van het identiteitsbewijs gevorderd. Hieruit bleek dat zes van deze 30 werknemers vreemdelingen waren in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. 2.1. Eiseres is aangemerkt als werkgever van de vreemdelingen in de zin van artikel 1, onderdeel b, onder 1 van de Wav. Voor de zes vreemdelingen was geen tewerkstellingsvergunning afgegeven en zij hadden ook geen gecombineerde vergunningen voor verblijf en arbeid. Zonder één van deze vergunningen mag eiseres geen vreemdelingen in Nederland arbeid laten verrichten. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Wav. De inspecteurs hebben daarom zes overtredingen van dit artikel van de Wav vastgesteld. 2.2. De vreemdelingen zijn in de onderzoeksperiode of een deel daarvan tewerkgesteld bij opdrachtgevers. Eiseres is daarom tevens aangemerkt als uitlener in een in- en uitleenconstructie. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wav had eiseres bij aanvang van de werkzaamheden een kopie van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen aan de opdrachtgevers moeten verstrekken. Dit is in vijf gevallen niet gebeurd. De inspecteurs hebben daarom ook vijf overtredingen van dit artikel van de Wav vastgesteld. 2.3. De inspecteurs hebben van het onderzoek op 26 februari 2024 een boeterapport en op 24 mei 2024 een aanvullend boeterapport opgemaakt. Deze rapporten zijn aan eiseres toegezonden. Verweerder heeft eiseres vervolgens op 6 juni 2024 op de hoogte gesteld van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres heeft hierop een zienswijze ingebracht. Deze zienswijze heeft niet tot een wijziging geleid. 3. Met het primaire besluit I heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 51.750,- vanwege zes overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav en vijf overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Voor het bepalen van de hoogte van de boete is verweerder uitgegaan van de boetenormbedragen in de Beleidsr Volgens eiseres is de waarschuwing preventieve stillegging ondeugdelijk onderbouwd. Eiseres verwijst in dit kader naar artikel 4 van de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten, waaruit volgt dat bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en omvang van de overtreding, de maatschappelijke gevolgen en de economische gevolgen voor derden. Eiseres stelt dat de waarschuwing niet kenbaar rekening houdt met het nadelige effect dat dit voor derden zou hebben. Gelet op de financiële situatie en het aandeel van personeelskosten in het bedrijf van eiseres zou een preventieve stillegging zonder meer tot faillissement leiden. De werknemers zullen hun baan verliezen. Volgens eiseres wordt ook het nieuwe samenwerkingsverband door de waarschuwing preventieve stillegging onevenredig getroffen. Daarnaast heeft verweerder onterecht in het midden gelaten op welke werkzaamheden de waarschuwing ziet. Dat leidt tot grote (rechts)onzekerheid. 6. Eiseres wijst er ten slotte op dat matiging van de boete en het intrekken van de waarschuwing niet betekent dat het doel daarvan – het voorkomen van overtreding van de Wav – niet meer wordt bereikt. De realisatie dat de overtredingen niet nogmaals mogen gebeuren leeft sterk binnen de organisatie. Ook na matiging zal de boete nog effect hebben, zowel ter preventie maar ook als straffende maatregel. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres overtredingen heeft begaan. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of verweerder de boete moet matigen en of verweerder de waarschuwing preventieve stillegging van werkzaamheden aan eiseres mocht opleggen. De rechtbank zal dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordelen. Matiging van de boete 8. Eiseres verzoekt om matiging van de boete omdat zij voldoende inspanningen heeft verricht om nieuwe overtreding van de Wav te voorkomen. Zij heeft richtlijnen en procedures opgesteld, er is een nieuw aannamebeleid met een 4-ogen principe en er zijn maandelijkse controles. In haar beroepschrift heeft eiseres aangegeven voornemens te zijn om een compliance officer aan te stellen die verantwoordelijk is voor toezicht op de naleving van de nieuwe maatregelentoezicht en het uitvoeren van interne audits door een onafhankelijke auditor (ten minste twee keer per jaar). Op zitting heeft eiseres aangegeven dat alle maatregelen, ook de compliance officer en de audits, per 1 februari 2024 zijn geïmplementeerd. 8.1. Verweerder heeft toegelicht dat inspanningen die zijn verricht nadat de overtreding is geconstateerd een reden voor matiging kunnen zijn. Dan moeten de maatregelen wel voor de kennisgeving van de boete zijn genomen en zodanig zijn dat daarmee herhaling van de overtreding kan worden voorkomen. Ze moeten geïmplementeerd zijn in het werkproces en er moet voldoende worden toegezien op toepassing van de nieuwe maatregelen. 8.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat er adequate maatregelen zijn getroffen. Eiseres heeft slechts een document met een beschrijving van het vier-ogen beleid verstrekt. Aan de hand daarvan valt echter niet te verifiëren of de maatregel daadwerkelijk is getroffen en hoe deze is geïmplementeerd in het werkproces. Ook is niet concludent of de compliance officer al voor de kennisgeving van de boete was aangesteld, of dat dit nog – zoals in het beroepschrift wordt gesteld – een voornemen is. Ditzelfde geldt voor de audit door een onafhankelijke auditor. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in de gestelde aanpassingen in de werkwijze geen aanleiding hoeven zien om de opgelegde boete te matigen. 9. Eiseres heeft aangevoerd dat de boete gematigd moet worden omdat zij een kleine onderneming is. Eiseres heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling, zij heeft echter niet toegelicht waarom deze uitspraak relevant is. Dat de grootte van een ondernemi Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een herhaalde overtreding en dat verweerder op die grond de waarschuwing preventieve stillegging mocht opleggen. Anders dan eiseres stelt is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht waarom zij, gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Beleidsregel preventieve stillegging, geen feiten of omstandigheden ziet om van het opleggen van de waarschuwing af te zien. De werkzaamheden van eiseres zijn niet van vitaal belang voor de maatschappij en kunnen bovendien worden verricht door andere ondernemingen of worden uitgesteld tot na de stillegging. Verweerder heeft uitgelegd dat er geen (zodanige) maatschappelijke of economische gevolgen voor derden bekend zijn of te verwachten die leiden tot het afzien van het opleggen van een waarschuwing. 15. Het standpunt van eiseres dat een preventieve stillegging zonder meer tot haar faillissement (en daardoor verlies van banen) zal leiden, heeft zij voor het eerst in beroep aangevoerd en verweerder heeft dat in het bestreden besluit dus niet kunnen meewegen. Verweerder heeft hierop ter zitting gereageerd en aan eiseres kunnen tegenwerpen dat de omstandigheid dat financiële gevolgen inherent zijn aan een stillegging een waarschuwing op zich zelf niet onevenredig maakt. 15.1. Ook het bestaan van een (noodgedwongen) samenwerkingsverband is pas in beroep door eiseres aangevoerd. Over eiseres standpunt dat het nieuwe samenwerkingsverband onevenredig hard door de waarschuwing preventieve stillegging wordt getroffen, overweegt de rechtbank als volgt. De waarschuwing preventieve stillegging is opgelegd aan eiseres. Eerst op zitting heeft eiseres meer duidelijkheid verschaft over het samenwerkingsverband en toegelicht dat het een joint venture betreft. Ervan uitgaande dat er een joint venture tot stand is gekomen en er daadwerkelijk sprake is van een andere entiteit – en de vennootschap niet alleen onder een andere naam wordt voortgezet – kan de waarschuwing preventieve stillegging niet aan de joint venture worden tegengeworpen. Het samenwerkingsverband wordt door de waarschuwing preventieve stillegging dan ook niet onevenredig hard getroffen. Het is daarnaast niet uitgesloten dat eiseres binnen de periode van vijf jaar waarin de waarschuwing van kracht is weer activiteiten gaat verrichten. 16. De waarschuwing preventieve stillegging is het aangewezen middel om te bewerkstelligen dat een mogelijke nieuwe overtreding wordt voorkomen. Daarbij wordt opgemerkt dat het een waarschuwing betreft en dat eiseres het zelf in de hand heeft om soortgelijke overtredingen te voorkomen en dus te voorkomen dat zal worden overgegaan tot daadwerkelijke stillegging van werk. 17. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de waarschuwing preventieve stillegging van werk aan eiseres. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de boete niet gematigd wordt en de aan eiseres gegeven waarschuwing preventieve stillegging van werk in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I en het bestreden besluit II ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heef