Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:2422
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/373
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: A. Salah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft in het besluit van 16 december 2024 bepaald dat verzoekster per 27 augustus 2024 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekster heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht voor het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit toe. Verzoekster hoeft wegens betalingsonmacht het griffierecht dus niet te betalen.
4. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat het besluit van 16 december 2024 is gebaseerd op onzorgvuldige onderzoeken van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, zij meer beperkt is dan de verzekeringsarts heeft aangegeven en het besluit van 16 december 2024 niet doelmatig is. De uitkering die zij ontvangt op grond van de Werkloosheidswet (WW) eindigt per 14 januari 2025. Volgens verzoekster is sprake van een spoedeisend belang, omdat zij na het eindigen van haar WW-uitkering geen bron van inkomsten meer heeft en zij vanwege haar medische situatie niet in staat is om te werken.
5. De voorzieningenrechter heeft verzoekster verzocht om (zo mogelijk) met stukken te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend belang. Hierbij is ook gevraagd of verzoekster kan aangeven of zij al een bijstandsaanvraag heeft gedaan en, zo nee, waarom niet. In haar reactie hierop geeft verzoekster aan dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, maar dat de gemeente acht weken heeft om een besluit te nemen op de aanvraag. In de tussentijd kan niet voorkomen worden dat verzoekster in een onomkeerbare financiële situatie terechtkomt. Verzoekster verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 september 2021 waarin volgens verzoekster sprake was van een vergelijkbare situatie en de CRvB oordeelde dat het gestelde financiële belang voldoende spoedeisend is.
6. Verweerder geeft aan dat niet is gebleken van dreigende schulden zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of het ontruimen van haar woning, zodat er volgens verweerder geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster bankafschriften heeft overgelegd over de periode van 1 december 2024 tot en met 1 januari 2025, waaruit volgt dat het beginsaldo van haar rekening € 1.693,58 en het eindsaldo € 986,48 bedraagt. Verder heeft verzoekster een e-mail aan de gemeente Zoetermeer overgelegd, waaruit volgt dat verzoekster op 24 januari 2025 een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. De rechtbank begrijpt dat de gemeente een beslistermijn heeft van acht weken op de bijstandsaanvraag, maar verzoekster heeft niet met stukken onderbouwd dat zij geen middelen heeft om die acht weken te overbruggen. Ook heeft zij niet met stukken onderbouwd dat zij in die acht weken in een onomkeerbare financiële situatie terechtkomt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 16 september 2021 maakt dat niet anders, omdat uit die uitspraak niet alleen volgt dat de uitkering was stopgezet maar dat ook de aanvraag om een bijstandsuitkering was afgewezen. Dat is bij verzoekster niet het geval.
Conclusie
8. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:CRVB:2021:2424, r.o. 9.