Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:24203
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6212
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Koolhoven),
en
VGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor
(gemachtigde: mr. A.L.P van Unnik).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de weigering van het zorgkantoor om de door eiseres ingediende declaraties uit het vastgestelde persoonsgebonden budget (pgb) over 2020 en 2021 te vergoeden. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor de vergoeding van de declaraties heeft mogen weigeren. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 30 januari 2024 heeft het zorgkantoor geweigerd de ingediende declaraties uit het pgb op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) te vergoeden. Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is het zorgkantoor bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. De vader van eiseres, [naam 1], heeft zorg op grond van de Wlz ontvangen in de vorm van een pgb. De zorg werd geleverd door Zorgpartners Midden-Nederland en de moeder van eiseres, [naam 2]. Eiseres trad in het kader van het pgb vanaf 2 mei 2017 op als gewaarborgde hulp.
3.1.
Met het besluit van 12 december 2019 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2020 een pgb van € 55.120,94 toegekend. Met het besluit van 12 mei 2021 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2020 vastgesteld op € 7.708,50.
3.2.
Met het besluit van 3 december 2020 heeft het zorgkantoor voor het jaar 2021 een pgb van € 57.232,42 toegekend. [naam 1] is op 30 maart 2021 overleden. Met het besluit van 5 april 2021 heeft het zorgkantoor het pgb met ingang van 31 maart 2021 beëindigd en het pgb opnieuw berekend op een bedrag van € 13.955,30. Met het besluit van 9 juli 2021 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2021 vastgesteld op € 0,00. Met de beslissing op bezwaar van 1 november 2021 heeft het zorgkantoor de besluiten van 5 april 2021 en van 9 juli 2021 gehandhaafd.
3.3.
Op 17 juli 2023 heeft eiseres het zorgkantoor verzocht om alsnog tot uitbetaling over te gaan van de facturen van Zorgpartners voor de in de periode van mei 2020 tot en met maart 2021 aan haar vader geleverde zorg en van de declaraties van de door haar moeder verleende zorg. Op 15 september 2023 heeft eiseres in het dossier van haar moeder de hiervoor genoemde facturen en de urenbriefjes van januari 2020 tot en met december 2020 van haar moeder bij het zorgkantoor aangeleverd.
3.4.
Met het besluit van 22 september 2023 heeft het zorgkantoor besloten niet akkoord te gaan met de uitbetaling van de declaraties. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In een e-mail van 17 januari 2024 heeft het zorgkantoor eiseres bericht dat het bezwaar van eiseres gegrond is, omdat bij de beoordeling van het dossier zaken uit een ander dossier (dat van de moeder van eiseres) zijn meegenomen. Het zorgkantoor geeft aan een nieuw besluit te zullen nemen. Hierop heeft het zorgkantoor het primaire besluit van 30 januari 2024 genomen.
3.5.
Met het bestreden besluit heeft het zorgkantoor het primaire besluit gehandhaafd. Het zorgkantoor overweegt daartoe dat de pgb’s voor de budgetjaren 2020 en 2021 met de besluiten van 12 mei 2021 en 9 juli 2021 zijn vastgesteld. Als een pgb is vastgesteld, kunnen er voor het betreffende subsidiejaar geen declaraties meer worden ingediend. De budgetvaststellingen voor 2020 en 2021 staan in rechte vast. Daarbij komt dat de zorgverlener facturen binnen zes weken na de maand waarin de zorg is geleverd bij de budgethouder moet indienen. Vervolgens moet de gewaarborgde hulp de declaraties binnen vier weken bij de Svb indienen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Eiseres heeft pas in juli 2023 contact opgenomen met het zorgkantoor, terwijl zij de juiste facturen in oktober 2022 had ontvangen. Niet is gebleken dat eiseres het zorgkantoor of de Svb niet eerder op de hoogte had kunnen stellen van de situatie. Volgens het zorgkantoor is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de belangen van het zorgkantoor moeten wijken voor de belangen van de budgethouder. Dat het regelen van de financiële zaken er bij eiseres in is geschoten vanwege het overlijden van haar beide ouders, is geen reden voor het zorgkantoor om een uitzondering te maken. Dit mede gezien de zeer lange periode tussen de factuurdata en de datum van indiening van de facturen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het zorgkantoor ten onrechte stelt niet bevoegd te zijn om een belangenafweging te maken, omdat de artikelen 5.21 en 5.23 van de Regeling langdurige zorg (Rlz) dwingend recht zijn. Deze Rlz is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Uit uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep volgt dat het zorgkantoor wel verplicht en bevoegd is een belangenafweging te maken. Het is eiseres niet te verwijten dat zij de declaraties niet tijdig heeft ingediend, omdat Zorgpartners nalatig was tijdig de juiste facturen in te leveren. Daarom was het ook niet zinvol om bezwaar te maken tegen de budgetvaststellingen. Dat later alsnog de juiste facturen zijn verkregen, maakt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verder heeft eiseres het zorgkantoor eerder in haar bezwaren op de hoogte gesteld van haar problemen met Zorgpartners. Eiseres bestrijdt dat zij een andere gewaarborgde hulp had moeten inschakelen, nu dit geen verschil had gemaakt. Het zorgkantoor is door de late indiening niet in haar belangen geschaad. Niet ter discussie staat dat de facturen zijn besteed aan Wlz-zorg. Waren de facturen binnen de termijnen van de Rlz ingediend, dan had het zorgkantoor deze niet meer of anders kunnen toetsen. Eiseres wordt ernstig in haar belangen geschaad omdat zij een vordering van € 50.000,- van Zorgpartners zelf moet voldoen en haar moeder geen vergoeding krijgt voor de door haar geleverde zorg. Dit belang moet zwaarder wegen dan het belang van het zorgkantoor om aan de termijnen van de Rlz vast te houden. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft het zorgkantoor steeds op de hoogte gehouden van de redenen waarom zij de facturen niet binnen de gestelde termijnen kon indienen. In de beslissing op bezwaar van 1 november 2021 is aangegeven dat eiseres tot en met 31 december 2021 facturen kon indienen. Zij heeft toen alle beschikbare facturen ingediend. Eiseres mocht er op vertrouwen dat het niet tijdig indienen van de facturen haar niet zou worden tegengeworpen.
Wat is het beoordelingskader?
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
6. Niet in geschil is dat eiseres de declaraties niet binnen de daarvoor in artikel 5.23, vierde lid, onder c, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) gestelde termijn heeft ingediend. De vraag die de rechtbank gelet op de gronden van eiseres dient te beantwoorden is of in dit concrete geval de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop het bestreden besluit berust, voor eiseres zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. In dat kader moet de rechtbank in deze zaak beoordelen of het bestreden besluit onevenwichtig is. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke onevenwichtigheid in dit geval niet gebleken. De nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder begrepen het tijdig indienen van declaraties, behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Dit geldt ook indien er, zoals in dit geval, een gewaarborgde hulp is. Het betoog van eiseres komt erop neer dat het haar niet te verwijten valt dat zij de declaraties niet tijdig heeft ingediend, omdat de facturen van Zorgpartners onjuist waren. Daargelaten of eerdere facturen van Zorgpartners juist waren of niet, heeft eiseres (naar eigen zeggen) in oktober 2022 de juiste facturen ontvangen. Desondanks heeft zij zich pas op 17 juli 2023 tot het zorgkantoor gewend met haar verzoek om de declaraties alsnog in behandeling te nemen. Daarmee heeft eiseres, ook indien sprake was van aanvankelijk onjuiste facturen, de indieningstermijn van artikel 5.23, vierde lid, onder c, van de Rlz, ruimschoots overschreden. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij de declaraties niet eerder kon indienen omdat zij niet over de juiste facturen van Zorgpartners beschikte, overweegt de rechtbank dat dit er niet aan in de weg lag om de overige declaraties tijdig in te dienen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Regeling langdurige zorg (Rlz)
Artikel 5.20
1. Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in:
a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt;
(…)
Artikel 5.21
Na afloop van iedere subsidieperiode wordt de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.
Het zorgkantoor stelt het persoonsgebonden budget binnen een half jaar na afloop van de subsidieperiode vast.
Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van de bedragen die de Sociale verzekeringsbank op grond van artikel 5.17, eerste lid, heeft uitbetaald.
Indien de verzekerde geen betalingen, als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, onder a en b, heeft laten doen dan wordt de subsidie, in afwijking van het derde lid, vastgesteld op nihil.
Artikel 5.23
(…)
4. De Sociale verzekeringsbank kan beslissen tot beëindiging of opschorting van de betalingen of een gehele of gedeeltelijke weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget:
(…)
c. indien de Sociale verzekeringsbank de declaratie niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat de verzekerde deze heeft ontvangen;
Zie de uitspraak van het CBB van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1075.