Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:2418
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,195 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9656
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft in het besluit van 22 augustus 2024 bepaald dat verzoeker per 30 juli 2024 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat met de arbeidsdeskundige van verweerder begin 2024 is besproken dat hij volledig afgekeurd zou worden om diverse cursussen, therapieën en onderzoeken te kunnen doen. Deze cursussen, therapieën en onderzoeken zijn nog volop bezig. Voor verzoeker is het daarom onmogelijk om, ook gezien zijn geestelijke en lichamelijke toestand, aan het werk te gaan. Vanwege de achterstanden bij verweerder kan de bezwaarprocedure nog lang duren. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te nemen omdat hij geen inkomen meer heeft.
4. De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht om (zo mogelijk) met stukken te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend belang. Hierbij is ook gevraagd of verzoeker kan aangeven of hij al een bijstandsaanvraag heeft gedaan en, zo nee, waarom niet. In zijn reactie hierop geeft verzoeker aan dat hij geen bijstandsuitkering heeft aangevraagd omdat bij navraag bij de gemeente is gebleken dat hij daar geen recht op heeft. Hij is namelijk samenwonend. Ondanks dat heeft hij toch zijn privé-uitgaven die hij nu niet meer kan betalen.
5. Verweerder geeft aan dat niet is gebleken van dreigende schulden zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of het ontruimen van zijn woning, zodat volgens verweerder geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, ook na daartoe door de voorzieningenrechter te zijn verzocht, zijn stellingen in het geheel niet heeft onderbouwd met stukken, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van een acute noodsituatie. Dat verzoeker aangeeft dat hij zijn privé-uitgaven niet meer kan betalen, maakt dit niet anders omdat hij niet heeft onderbouwd wat voor soort uitgaven dit zijn en waarom zijn medebewoner niet kan bijdragen aan deze lasten.
Conclusie
7. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.