Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:23964
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/7221 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2025 in de zaak tussen Vereniging [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [naam 1]) en het college van Burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem (gemachtigde: [naam 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om handhaving. Eiseres heeft het college verzocht handhavend op te treden, omdat de buurman van eiseres (de vergunninghouder) volgens eiseres afwijkend van de bouwtekeningen bij een omgevingsvergunning en in strijd met het Bouwbesluit 2012 heeft gebouwd door een kozijn en een rookgasafvoer te realiseren. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek mocht afwijzen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van een overtreding . Voor de uitgevoerde werkzaamheden is geen omgevingsvergunning vereist en het kozijn en de rookgasafvoer voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. De rechtbank kent wel een vergoeding van het griffierecht toe, omdat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek beter had moeten motiveren en de afwijzing niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De rechtbank zal beoordelen of het college terecht heeft aangenomen dat handhavend optreden niet mogelijk is omdat geen sprake is van een overtreding. Daarbij zal worden beoordeeld of de uitgevoerde bouwwerkzaamheden omgevingsvergunningplichtig zijn en of is gehandeld in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012. Procesverloop 2. Op 16 mei 2022 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft dat verzoek op 16 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 september 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het handhavingsverzoek voor die datum is gedaan, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. Aanleiding voor het handhavingsverzoek 4. Eiseres is een vereniging van eigenaren van een appartementencomplex. Deze appartementen grenzen haaks aan een ander pand. Op 20 november 2019 is aan de eigenaar van dit pand een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van winkelruimte naar appartementen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, vanwege een raam dat in de achtergevel op de erfgrens geplaatst zou worden. Na overleg met de vergunninghouder is afgesproken dat in plaats van een raam zogenoemde daklichten zouden worden geplaatst. Eiseres heeft haar bezwaar daarop ingetrokken. Toen bleek dat de daklichten niet gerealiseerd konden worden omdat de eigenaar van het dak daarvoor geen toestemming wilde geven, heeft de vergunninghouder alsnog een raam in de gevel geplaatst. Volgens het college was daarvoor geen wijziging van de vergunning nodig. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft het college verzocht handhavend op te treden omdat niet in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Eiseres heeft daarbij ook verzocht om handhavend op te treden Voor zover de rechtbank het college niet in dit standpunt zou volgen, stelt het college dat na controle is gebleken dat de ramen voldoende brandwerend zijn. Het bezwaar van eiseres tegen het raam op de erfgrens is privaatrechtelijk van aard, dus het college kan wat dat betreft niet handhavend optreden. Strekken regels over brandwerendheid tot bescherming van omwonenden? 7.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de rechtzoekende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de rechtzoekende. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd. 7.2.1. De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste in dit geval geen rol speelt. De bezwaren van eiseres zien op de brandwerendheid van het raam. Als het gaat over constructieve veiligheid, branddoorslag of brandoverslag zijn de regels van het Bouwbesluit 2012 niet alleen bedoeld om de veiligheid van de mensen in een bouwwerk te beschermen, maar ook om de veiligheid van mensen in gebouwen op naastgelegen percelen te beschermen. Aangezien het raam zich vlakbij het gebouw van eiseres bevindt, zijn de regels van het Bouwbesluit 2012 over brandwerendheid van het raam ook van belang voor eiseres. Moest het college ten aanzien van het raam handhavend optreden? 7.3. De rechtbank is van oordeel dat het college ten aanzien van de brandwerendheid van het raam terecht niet handhavend heeft opgetreden, omdat geen sprake is van een overtreding van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft in dit verband terecht gewicht toegekend aan de bevindingen van zijn toezichthouder en een medewerker van de brandweer Hollands Midden. Hierbij geldt dat het college in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een rapport als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een daartoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan een besluit ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij is van belang hoe de waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd en de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. 7.4. Een toezichthouder van het college heeft samen met een medewerker van Brandweer Hollands Midden een controle uitgevoerd. Dat zijn personen die geacht worden voldoende expertise te hebben op het gebied van regels over brandwerendheid. Bij de controle is geconstateerd dat het raam is vervangen door brandwerende beglazing en dat het raam niet te openen is. Dat is vastgelegd in het rapport van 11 september 2023, dat door de toezichthouder is ondertekend. Het rapport bevat ook foto’s van het raam en een detailfoto van het keurmerk. Het rapport zelf bevat geen grond om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Daarmee voldoet het rapport aan de hiervoor weergegeven vereisten. Het college mocht dus in beginsel uitgaan van de juistheid van het rapport. 7.5. De betwisting van het rapport door eiseres geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het constateringsrapport blijkt inderdaad niet dat het raam van binnenuit is gecontroleerd, maar wel dat is geconstateerd dat het raam niet open kan. Op de door eiseres overgelegde foto is duidelijk te zien dat het raam geen hendel heeft om het te openen en dat het raam is vastgeschroefd. De rechtbank ziet daarom geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het rapport. Het college heeft daarom in wat eiseres heeft aangevo