Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:23943
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,099 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrechtzaaknummer: SGR 24/7690
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de directie van de RDW, verweerster
(gemachtigde: mr. F. Schuring).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om wijziging van gegevens in het kentekenregister.
1.1.
Verweerster heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerster bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Partijen hebben nadere stukken overgelegd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerster deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verzocht om de geregistreerde waarde CO2-uitstoot van zijn voertuig met kenteken [kenteken] in het kentekenregister te wijzigen van 255 naar 254 gr/km. De CO2-uitstoot van een voertuig is van belang voor de hoogte van de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (bpm). Verweerster heeft het verzoek afgewezen, omdat zij de geregistreerde waarde heeft overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs en zij op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijn ook daartoe gehouden was. Eiser heeft niet met bijvoorbeeld een Certificaat van Overeenstemming (CVO) of individueel goedkeuringscertificaat aangetoond dat de geregistreerde waarde onjuist is.
Wat zijn de regels?
3. In artikel 42e, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) is bepaald dat wanneer een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek kan doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.In artikel 3, eerste lid, van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat de lidstaten een kentekenbewijs afgeven voor voertuigen waarvan de inschrijving volgens hun nationale wetgeving verplicht is. Dat kentekenbewijs bestaat hetzij uit slechts één deel overeenkomstig bijlage I, hetzij uit twee delen overeenkomstig de bijlagen I en II (hierna ook: het geharmoniseerd kentekenbewijs).
In artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat voor de toepassing van deze richtlijn het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten wordt erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat. Hieraan is gevolg gegeven met artikel 25b van het Kentekenreglement.
In artikel 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat de lidstaten elkaar bij de uitvoering van deze richtlijn bijstaan. Zij kunnen bilateraal of multilateraal gegevens uitwisselen, met name om vóór de inschrijving van een voertuig te controleren welke de rechtstoestand daarvan is, zo nodig in de lidstaat waar het tot dusver was ingeschreven.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat verweerster terecht de CO2-uitstootwaarde van 255 gr/km heeft overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs, maar dat zij naar aanleiding van het verzoek van eiser gehouden was deze waarde te wijzigen. Eiser heeft daarbij, aan de hand van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode, die is neergelegd in Verordening (EU) nr. 183/2011, en gegevens die al in het kentekenregister staan vermeld, berekend dat de juiste waarde 254 gr/km is. Door de uitstootwaarde niet te wijzigen, handelt verweerster in strijd met Europees recht. Tot slot verzoekt eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ten aanzien van de wijziging in het kentekenregister.
5. Het voertuig van eiser is vanuit de Verenigde Staten ingevoerd in Litouwen. De rechtbank wijst er allereerst op dat het in deze zaak gaat om de herregistratie van het voertuig in Nederland. Hiervoor gelden andere regels dan voor een eerste goedkeuring voor de invoer van voertuigen vanuit derde landen.
6. Het gaat in dit geval om een voertuig dat niet is gebouwd voor de Europese markt en daarom geen Europese typegoedkeuring heeft waaruit de CO2-uitstoot volgt. Verweerster heeft overwogen dat in dat geval de uitstoot wordt overgenomen van het geharmoniseerd kentekenbewijs, de CVO, een individueel goedkeuringscertificaat, online registratiegegevens van officiële instanties of een individueel testrapport. Als de CO2-uitstoot niet uit een van de genoemde bronnen kan worden afgeleid, kan de uitstoot worden berekend met de Scandinavische rekenmethode. Verweerster heeft ter zitting uitgelegd dat dit een formule is om tot een zo goed mogelijke uitkomst te komen, maar de uitkomst vaak niet de exacte uitstootwaarde is. In dit geval is de CO2-uitstoot opgenomen op het Litouwse kentekenbewijs. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerster op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijn in beginsel gehouden was het Litouwse kentekenbewijs te erkennen en de daarin opgenomen CO2-uitstoot over te nemen.
7. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 12 maart 2025 overwogen dat verweerster echter niet gehouden is om onder alle omstandigheden zonder controle het geharmoniseerd kentekenbewijs te erkennen. Er kan sprake zijn van een bijzondere situatie. In geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens zal verweerster navraag doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven.
8. De eigen berekening van eiser aan de hand van de Scandinavische rekenmethode leidt tot een andere uitstootwaarde dan op het Litouwse kentekenbewijs staat vermeld. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat er daardoor twijfel is over de juistheid van de opgenomen CO2-uitstoot en er daarom voor verweerster aanleiding bestond hierover navraag te doen. De Litouwse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat ten tijde van de invoer van het voertuig vanuit de Verenigde Staten geen CO2-uitstoot bekend was en dat zij de uitstoot hebben afgeleid van een Amerikaanse website met data van een door de Amerikaanse overheid goedgekeurde database. De op die website weergegeven gram per mijl hebben zij omgerekend naar gram per kilometer. Verweerster heeft er voorts op gewezen dat nergens uit blijkt dat de goedkeuring van de Litouwse autoriteiten een Europese individuele goedkeuring betreft als bedoeld in Verordening (EU) nr. 183/2011, waarin de Scandinavische rekenmethode is opgenomen. Dit wordt ondersteund door de reactie van de Litouwse autoriteiten, waarin wordt gesproken van enkel een “individual approval inspection”. In artikel 2 van de Verordening is de mogelijkheid opgenomen om individuele goedkeuringen te verlenen en daarvoor alternatieve voorschriften vast te stellen. Het is niet aan verweerster na te gaan wat de Litouwse voorschriften voor de goedkeuring zijn. Gelet op de uitleg van de Litouwse autoriteiten en de omstandigheid dat de uitkomst van de Scandinavische rekentoets minimaal afwijkt van de CO2-uitstoot zoals opgenomen op het Litouwse kentekenbewijs, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de op het Litouwse kentekenbewijs opgenomen CO2-uitstoot evident onjuist is. Verweerster heeft de CO2-uitstoot dan ook terecht overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs.
9. Eiser heeft voorts niet met een CVO, individueel goedkeuringscertificaat of individueel testrapport aangetoond dat de geregistreerde uitstootwaarde onjuist is. Er bestond daarom ook geen aanleiding voor verweerster de CO2-uitstoot in het kentekenregister te wijzigen.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. In dit geval is het bezwaarschrift op 26 mei 2023 door verweerster ontvangen. Ten tijde van de uitspraak zijn er twee jaar, vijf maanden en vierentwintig dagen verstreken.
11. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerster is toe te rekenen.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
14. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerster te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 226,75 (1 punt ter waarde van € 907,00 voor het verzoek, met een wegingsfactor 0,25, omdat het een verzoek van een zeer licht gewicht betreft) voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De rechtbank:- verklaart beroep ongegrond;- veroordeelt verweerster tot het betalen van € 500,00 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt verweerster tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen.
Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2011, L 53).
Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1026.
https://www.fueleconomy.gov/feg/UsedCarLabel.jsp.
Zie ook artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1943.
Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.