Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-08-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:23727
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.18392 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Overwegingen 1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2 Is het beroep van eiseres gegrond? 3. De minister heeft de aanvraag op 1 oktober 2023 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 De minister heeft deze termijn onder toepassing van WBV 2023/34 met negen maanden verlengd. Eiseres heeft de minister op 27 februari 2025 in gebreke gesteld. Dat is hoe dan ook tijdig geweest, ongeacht de vraag over de rechtmatigheid van WBV 2023/3.5 Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond. 1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. 3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. 4 Staatscourant van 8 februari 2023, nr. 3235. 5 Zie ECLI:EU:C:2025:326. Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op? 4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6 5. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de beslistermijn van 21 maanden7 is overschreden. Deze ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.8 De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. 6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiseres in deze zaak nog niet is gehoord omtrent haar asielmotieven. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om aan de minister een langere nadere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Gelet daarop en gelet op het feit dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De nadere beslistermijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak. Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op? 7. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet naleven daarvan een dwangsom.7 In artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet)8 was bepaald dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 20229 geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend was. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde term