Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:2287
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,662 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36798 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam]
, opposant
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: H. Postma),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
opposant, tevens verzoeker,
(gemachtigde: H. Postma)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2024 waarin de rechtbank het verzoek van opposant om proceskostenvergoeding heeft afgewezen. De uitspraak ziet ook op het verzoek om proceskostenvergoeding.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 28 november 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 28 november 2024
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking van het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling voorafgaand aan het beroep niet tijdig beslissen prematuur was ingediend. Dit zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep, en op grond hiervan is het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
5. In zijn verzetschrift stelt opposant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Nederland op 14 juli 2023 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag, en dat de beslistermijn daarom vanaf die dag is gaan lopen. De rechtbank heeft de processtukken die zien op de informatie-uitwisseling met Italië op grond van artikel 34 Dublinverordening, ten onrechte aangemerkt als een claimverzoek in de zin van de Dublinverordening. De beslistermijn was derhalve niet opgeschort, en de ingebrekestelling was niet prematuur verstuurd.
6. Deze verzetsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de informatie-uitwisseling met Italië ten onrechte is aangemerkt als een claimverzoek. Het oordeel in de bestreden uitspraak dat Nederland op 14 juli 2023 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag is onjuist. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 november 2024 niet buiten redelijke twijfel kunnen oordelen dat het verzoek om proceskostenveroordeling moest worden afgewezen.
Conclusie
7. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 november 2024 ten onrechte geoordeeld dat het verzoek kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, afgewezen diende te worden. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beoordeling
9. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
10. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
11. De rechtbank stelt vast dat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen door tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoeker van 18 april 2023.
Conclusie
12. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. Dat betekent dat verzoeker gelijk krijgt.
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker/opposant in beroep en verzet tot een totaalbedrag van € 907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Als u het niet eens bent met de beslissing op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).