Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:22534
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,125 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.51734 (beroep)
NL25.51735 (verzoek om voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1993, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) niet in behandeling genomen, omdat Spanje ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam] , de vrouw van eiser.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat zijn vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zijn vrouw op [geboortedatum 2] 2025 is bevallen van een dochter. Hij had weliswaar een Spaans visum, maar deze heeft hij niet gebruikt. Hij is rechtstreeks vanuit Jordanië naar Amsterdam gevlogen. In Palestina wordt eiser onderdrukt en hij was daar krijgsgevangene. Hij wil in Nederland voor zijn gezin zorgen. Hij heeft niemand in Spanje en heeft geen leven daar. De minister heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat volgens de minister de autoriteiten van Spanje verantwoordelijk zijn voor de behandeling daarvan. Uit EU-VIS is namelijk gebleken dat eiser door Spanje in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 30 mei 2024 tot
29 mei 2025. De minister heeft de autoriteiten van Spanje verzocht om overname van eiser op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De Spaanse autoriteiten zijn hiermee akkoord gegaan.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hierna zal de rechtbank, voor zover van belang, ingaan op de beroepsgronden.
Verantwoordelijkheid
6. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte vanuit gaat dat Spanje als visum verlenend land verantwoordelijk is. Eiser is rechtstreeks vanuit Jordanië naar Amsterdam gevlogen. Hij heeft geen gebruik gemaakt van zijn visum. Hij benadrukt dat het visum in Palestina is afgegeven door de Spaanse ambassade, omdat de Nederlandse ambassade in Palestina gesloten was vanwege de oorlog en hij daar dus niet terecht kon.
7. De minister stelt dat de omstandigheid dat eiser beschikte over een Spaans visum voldoende is voor de verantwoordelijkheid van Spanje en de omstandigheid dat hij niet vanuit Spanje is gereisd daar geen invloed op heeft. De minister wijst er ook op dat de Spaanse autoriteiten de Dublinclaim hebben geaccepteerd.
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. Uit EU-Vis blijkt dat aan eiser een visum is afgegeven door de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben vervolgens de Dublinclaim van de minister geaccepteerd. De minister mag ervan uitgaan dat Spanje bij het beoordelen van de Dublinclaim op deugdelijke wijze heeft vastgesteld dat eiser zich daadwerkelijk met het visum toegang heeft verschaft tot het Schengengrondgebied. Het is dan verder aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij visumvrij vanuit Jordanië naar Nederland is gereisd. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een vertegenwoordigingsregeling op grond waarvan Spanje is gevraagd om namens Nederland het visum af te geven. De stelling van eiser dat de Nederlandse ambassade dicht was doet hier niet aan af, maar zal door de rechtbank worden betrokken in het kader van de toets aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Dat ook ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is bevestigd door de hoogste bestuursrechter op 22 augustus 2023 en 24 juni 2024. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
10. De door eiser ingebrachte stukken zijn meegenomen in de hiervoor genoemde uitspraken. Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Spanje niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Hiertoe is van belang dat eiser rechtstreeks van Jordanië naar Nederland is gereisd en niet in Spanje is geweest. Hij heeft geen asielaanvraag ingediend in Spanje, waardoor hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de asielprocedure en asielopvang in Spanje. Verder heeft de minister er op kunnen wijzen dat eiser zich bij voorkomende problemen in Spanje kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Spanje of de daarvoor aangewezen instanties. Niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden willen of kunnen helpen, hetgeen ook niet blijkt uit de overgelegde stukken.
Discretionaire bevoegdheid in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening
11. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser is op
[datum] 2023 getrouwd met een in Nederland woonachtige vrouw van Nederlandse nationaliteit en zij hebben een pasgeboren dochter met de Nederlandse nationaliteit. Eiser wil zorgen voor zijn gezin en samen met hen een stabiel en gelukkig leven opbouwen. Eiser woont officieel in het asielzoekerscentrum in [plaats 1] , maar is fulltime te vinden bij zijn gezin in [plaats 2] waar hij volledig deelneemt aan de zorg voor zijn dochter: het verschonen van de kleding, het baden, voeden en het begeleiden naar afspraken bij de gemeente en medische instanties. Eiser heeft geen sociale binding in Spanje, noch een woning of werk. De toekomst van eiser is in Nederland bij zijn gezin. Het voorgaande brengt volgens eiser mee dat een overdracht aan Spanje getuigt van een onevenredige hardheid. Eiser meent ook dat hij in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
13. De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser aan Spanje wordt overgedragen niet van onevenredige hardheid getuigt. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat ten onrechte een uitgebreide toets aan Chavez-Vilchez- arrest heeft plaatsgevonden in de plaats van een “lichte toets” zoals die in het informatiebericht (IB) 2021/33 staat. Dit heeft volgens de minister geen gevolgen voor het bestreden besluit. In dit geval is volgens de minister onvoldoende aannemelijk geworden dat eisers dochter afhankelijk is van hem. Eiser voert weliswaar samen met zijn vrouw zorgtaken uit, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Ook heeft eiser volgens de minister geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn dochter ontwikkelingsschade zou oplopen als eiser wordt overgedragen aan Spanje.
14. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 17 van de Dublinverordening gegeven bevoegdheid. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiser had voor zijn komst naar Nederland een Nederlandse vrouw. Hij is rechtstreeks naar Nederland gereisd op basis van een Spaans visum, omdat de Nederlandse ambassade in Palestina gesloten was vanwege de oorlog.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgrond van eiser te bespreken.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen en stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten van eiser;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Europese Unie – Visum Informatie Systeem.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2023:3190 en ECLI:NL:RVS:2024:2548.
Arrest van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:354.