Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:22325
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,599 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54507
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025, met behulp van een videoverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a betoogt eiser dat het feit dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen inherent is aan het feit dat hij asiel wil aanvragen in Nederland. Daar heeft eiser de kans niet voor gekregen, terwijl hij dit meerdere keren heeft aangegeven. Eiser voert aan dat ook zware grond 3b niet aan hem kon worden tegengeworpen, omdat hij destijds naar België was vertrokken. Eiser kon zich toen niet onderwerpen aan het toezicht van de Nederlandse overheid. Met betrekking tot zware grond 3d betoogt eiser dat hij deze aliassen enkel in het buitenland heeft genoemd en nooit in Nederland. Deze aliassen kunnen daarom niet aan eiser worden tegengeworpen.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen zware gronden 3a, 3b en 3d de maatregel van bewaring dragen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat kan worden volstaan met de feitelijke juistheid van zware gronden 3a, 3b en 3d. Eiser heeft met zijn betoog de feitelijke juistheid van zware gronden 3a, 3b en 3d niet betwist. Eiser betwist niet dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser voert enkel aan dat deze grond inherent is aan het feit dat hij een asielzoeker is. Dit doet echter niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Eiser betwist ook niet dat hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Dat eiser destijds in België verbleef maakt niet dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Ten slotte betwist eiser ook niet dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Het enkele feit dat eiser in Nederland geen onjuiste gegevens heeft verstrekt doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Deze gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten opleggen. In dit kader voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat het niet mogelijk was om voor eiser een vlucht te boeken terwijl hij in de opvanglocatie van het COa verbleef. Het betekent in zoverre niets dat het makkelijker wordt voor de minister om een vlucht voor eiser te boeken wanneer hij in bewaring is gesteld.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eiser. Eiser is gedurende de asielprocedure meermaals met onbekende bestemming vertrokken. Ook volgt het onttrekkingsrisico uit de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858. Ook hier Adrar nog noemen