Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:22292
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
779 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55476
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. De minister heeft op 25 augustus 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd.
1.1.
Na het opleggen van deze maatregel heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft op dit beroep beslist met haar uitspraak van 5 september 2025.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 10 november 2025 opgeheven.
1.3.
De minister heeft de rechtbank op 12 november 2025 laten weten dat 75 dagen zijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt deze kennisgeving gelijk met een door eiser ingediend beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
1.4.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daar niet op gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 19 november 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
2. De minister heeft de maatregel van bewaring op 10 november 2025 opgeheven. Eiser kan met zijn beroep dus niet (langer) bereiken dat hij in vrijheid wordt gesteld. Daarom zou de beoordeling van dit beroep zich beperken tot de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. Dan zou door de rechtbank beoordeeld moeten worden of de bewaring van eiser op enig moment onrechtmatig was. Maar in dit geval heeft eiser niet verzocht om schadevergoeding en een beroep tegen het voortduren van een maatregel van bewaring moet ook niet – anders dan bij een eerste beroep – ambtshalve worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank ziet daarom niet in wat eiser met dit beroep (nog) kan bereiken, zodat zij van oordeel is dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16543.
Vergelijk Rb. Den Haag (zp Arnhem) 6 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2726, r.o. 2.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Vergelijk artikel 106 van de Vw 2000.
Vergelijk artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.