Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:22287
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,183 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54789
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de zware gronden 3b, 3d, 3k en de lichte gronden 4a, 4c, en 4d betwist. De minister heeft de lichte grond 4a op de zitting laten vallen.
1.2.
De beroepsgronden slagen niet. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de motivering van de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat aan eiser op 14 oktober 2025 een overdrachtsbesluit is opgelegd. Dat aan eiser een overdrachtsbesluit is opgelegd blijkt ook uit het dossier, nu zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen op 14 oktober 2025. Dit afwijzingsbesluit is ook een overdrachtsbesluit. Verder blijkt uit de vertrekgesprekken van 24 oktober 2025, 31 oktober 2025 en 13 november 2025 dat eiser niet wil meewerken aan zijn overdracht aan Frankrijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat eiser een overdrachtsbesluit heeft gekregen en hier geen gehoor aan heeft gegeven. Daarmee is de zware grond 3k feitelijk juist.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3k de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee de maatregel niet onrechtmatig is. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldaan aan de gronden om eiser als Dublinclaimant in bewaring te stellen. Hetgeen eiser tegen de andere gronden heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).