Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:22278
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,155 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister heeft terecht geconcludeerd dat de benodigde zorg in Irak beschikbaar en toegankelijk is voor eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De behandeling van het beroep stond gepland op de zitting van 3 juli 2025. De minister heeft op 26 juni 2025 verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep. Gedurende de beroepsprocedure is nieuwe medische informatie overgelegd waarin de minister aanleiding heeft gezien om een nieuw advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te laten opstellen.
2.3.
De rechtbank heeft bij brief van 1 juli 2025 het verzoek om aanhouding toegewezen.
2.4.
Op 17 september 2025 heeft het BMA een nieuw medisch advies uitgebracht.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Mocht de minister uitgaan van het BMA-advies?
3. Eiser betoogt dat er concrete aanknopingspunten zijn die aantonen dat het BMA-advies van 18 december 2023 onvolledig, onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig is. Hij voert aan dat in het advies wel wordt erkend dat hij meerdere ernstige klachten heeft, maar volgens hem wordt deze complexe combinatie van klachten nergens in samenhang beoordeeld. Eiser erkent weliswaar de conclusie van het BMA dat het uitblijven van toediening van methadon op zichzelf geen medische noodsituatie op korte termijn oplevert en dat zijn longproblemen als zwaartepunt worden gezien, maar hij voert aan dat alle omstandigheden, waaronder zijn methadonverslaving, wel in het oordeel betrokken hadden moeten worden. Hij is namelijk in meerdere opzichten een kwetsbare man en het kan niet van hem worden verwacht dat hij terugkeert naar Irak. De conclusie in het BMA-advies, dat geen sprake zou zijn van een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden, is volgens eiser dan ook niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Over het nieuwe BMA-advies van 17 september 2025 voert eiser aan dat het opmerkelijk is dat daarin, anders dan in het advies van 18 december 2023, wordt geconcludeerd dat de behandeling van de methadonverslaving (therapie en medicatie) wel aanwezig is in Irak. Omdat in dit advies verder dezelfde conclusie staat als in het BMA-advies van 18 december 2023, blijft eiser bij zijn standpunten over het eerdere advies.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit vaste rechtspraak volgt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het deskundigenadvies van het BMA, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een aanknopingspunt bieden voor de stelling dat het BMA-advies onjuist of onvolledig is. De minister heeft in dat kader terecht overwogen dat het BMA de methadonverslaving en de gevolgen van het stoppen met methadon wel degelijk heeft betrokken bij de totstandkoming van het advies. De minister mag dan ook uitgaan van de conclusie van het BMA dat behandelmogelijkheden voor eiser beschikbaar zijn in Irak voor wat betreft zijn methadonverslaving, en dat deze voldoende zijn om een medische noodsituatie binnen een termijn van drie tot zes maanden te voorkomen. Overigens heeft de minister terecht gesteld dat uit het tweede BMA-advies blijkt dat er op zichzelf geen medische noodsituatie zal ontstaan bij het uitblijven van methadon en dat methadon inmiddels wel beschikbaar is in Irak. Dat eiser dat opmerkelijk vindt doet daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister ervan uitgaan dat de medische zorg in Irak toegankelijk is voor eiser?
4. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Irak geen toegang zal hebben tot de medische zorg, omdat uit het ambtsbericht blijkt dat personen zonder officieel identiteitsdocument daar geen toegang tot hebben. Eiser heeft geen identiteitsdocument en hij voert aan dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om deze te verkrijgen. Eiser verwijst daarbij naar het rapport van de presentatie op 21 augustus 2025 bij de Iraakse ambassade. Daaruit blijkt dat hij niet voorkomt in de Iraakse registers en dat bij de laissez-passer (lp)-aanvraag geen match is gevonden. Eiser voert aan dat hij hiermee heeft aangetoond dat hij geen identiteitsdocument kan krijgen. Daar komt volgens eiser bij dat uit het ambtsbericht blijkt dat het niet mogelijk is om vanuit het buitenland een identiteitsdocument te krijgen. Gezien zijn kwetsbare situatie kan niet van hem worden verwacht dat hij zonder identiteitsdocument naar Irak terugkeert en daar vervolgens zelf op zoek moet gaan naar medische zorg. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser wél aan identiteitsdocumenten kan komen. Eiser voert tot slot aan dat het tegenstrijdig is dat hem in eerste instantie niet wordt tegengeworpen dat hij geen identiteitsdocument heeft, maar dat dit vervolgens wel wordt tegengeworpen als eiser erop wijst dat Irakezen zonder identiteitsdocument geen toegang hebben tot de medische zorg.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser de Iraakse nationaliteit heeft. De vraag is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen identiteitsdocument kan krijgen en daardoor geen toegang heeft tot de medische zorg in Irak. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg voor hem niet toegankelijk is. De rechtbank stelt vast dat de bewijslast ten aanzien van de toegankelijkheid bij eiser ligt. Volgens de rechtbank heeft de minister op de zitting terecht gesteld dat het verslag van de presentatie bij de Iraakse ambassade, dat pas in beroep is overgelegd, onvoldoende bewijs is om te concluderen dat eiser geen identiteitsdocument kan krijgen. Hoewel het verslag vermeldt dat zijn nationaliteit niet kan worden bevestigd en dat hij niet in de Iraakse registers voorkomt, vermeldt het ook dat zijn Iraakse nationaliteit in 2009 en 2019 wel is bevestigd. Uit het verslag blijkt verder niet wat er is besproken, waardoor het onduidelijk blijft waarom zijn nationaliteit nu niet meer bevestigd kan worden. Ter zitting kon eiser daarover ook geen duidelijkheid verschaffen. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser familieleden in Irak heeft die hem kunnen help bij het verkrijgen van de juiste papieren. De stelling van eiser dat gezien zijn kwetsbare situatie niet van hem verwacht kan worden dat hij naar Irak reist en daar op zoek gaat naar medische zorg, volgt de rechtbank niet. Het BMA heeft namelijk geconcludeerd dat eiser in staat is om te reizen. Wat betreft de beroepsgrond dat het tegenstrijdig is dat aan eiser in eerste instantie niet wordt tegengeworpen dat hij geen identiteitsdocument heeft, maar dit wel wordt tegengeworpen bij de toegankelijkheid van de medische zorg, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is. Aan eiser wordt immers, zoals de minister terecht stelt, niet tegengeworpen dat hij geen identiteitsdocument heeft maar slechts dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen identiteitsdocument kan verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister een deugdelijke belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM verricht?
5. Eiser betoogt dat de afwijzing van uitstel van vertrek in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hij voert daartoe aan dat hij al 25 jaar onafgebroken in Nederland woont, hier is opgegroeid, de taal vloeiend spreekt, zijn sociale leven in Nederland heeft opgebouwd en functioneert binnen de Nederlandse samenleving. Daarnaast heeft hij al jarenlang behandeling in Nederland voor zijn medische en psychische problemen en is zijn situatie aan het verslechteren. Eiser wijst daarbij op het arrest X tegen Nederland waarin het Hof heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van artikel 8 van het EVRM ook de gezondheidstoestand en de afhankelijkheid van een medische behandeling in de lidstaat moet worden meegewogen. Eiser voert aan dat de minister wel ingaat op de verblijfsduur en zijn medische situatie, maar nalaat deze in samenhang met de overige individuele omstandigheden te beoordelen. Verder voert eiser aan dat hij geen enkele binding met Irak heeft. Zo heeft hij daar geen sociaal netwerk meer, heeft hij geen familiecontact, spreekt hij nauwelijks de taal en is hij er sinds zijn komst in Nederland niet meer geweest. Eiser voert tot slot aan dat, gezien het medische dossier, het volstrekt onbegrijpelijk is dat zijn stelling dat hij een kwetsbare vreemdeling is onvoldoende onderbouwd zou zijn.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Nederland privéleven heeft opgebouwd in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag voor uitstel van vertrek mocht afwijzen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 25 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY5703 en van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826.
Zie algemeen ambtsbericht Irak van november 2023, p. 39.
Zie dossierstuk 309.
EHRM 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
Zie hiervoor onder meer paragraaf A3/7.1.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en de uitspraken van de ABRvS van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571, 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:989 en 12 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2392.
HvJ EU 22 november 2022, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
Dit staat in artikel 7:2 van de Awb.
Dit staat in artikel 7:3 onder b van de Awb.
Zie ABRvS 6 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.
Werkinstructie (WI) 2022/20 Horen en mandatering in bezwaar; zie ook de uitspraak van de ABRvS van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4.3.