Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:22163
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/4618 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 20225 in de zaak tussen [naam 1], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, het college, (gemachtigde: mr. E.M. Braam en M. Fleer). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de overplaatsing van verzoekster naar de opvangvoorziening in [plaats]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoekster heeft bij brief van 9 november 2025 een gezamenlijk bezwaarschrift ingediend tegen de aankomende overplaatsing naar de opvangvoorziening in [plaats]. Verzoekster was reeds bekend dat zij per 25/26 november 2025 haar huidige opvangvoorziening moest verlaten. Het college heeft dit per brief van 14 november 2025 schriftelijk aan verzoekster bevestigd. Op 17 november 2025 heeft verzoekster het gezamenlijke bezwaarschrift aangevuld met een individueel bezwaarschrift. 2.1. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en heeft daarbij het college verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft per mail van 19 november 2025 aan de rechtbank bevestigd in te stemmen met rechtstreeks beroep. 2.2. Het college heeft op 20 november 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek van mevrouw [naam 2]. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters, een tolk en de gemachtigden van het college. De rechtbank behandelt het rechtstreekse beroep op een nader te bepalen moment. Beoordeling door de voorzieningenrechter Is er een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening? 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de aangekondigde verhuisdatum wordt daarnaast onverwijlde spoed aangenomen. De voorzieningenrechter ziet in de verwijzing van het college naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Heeft het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen? 4. De voorzieningenrechter kan in afwachting van een beslissing op beroep een voorlopige voorziening treffen als het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Mandaat voor het nemen van het besluit 5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de brief van 14 november 2025 niet is ondertekend met een verwijzing naar het mandaatbesluit. Voor verzoekster valt daarom niet vast te stellen of het besluit bevoegd is genomen. 5.1. De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 3 van het Ondermandaatbesluit Het Hogeland volgt dat aan de programmamaner mandaat is verleend voor de aangelegenheden die vallen binnen zijn/haar werkgebied. Hieruit volgt de bevoegdheid van de programmamanager; dat niet expliciet is verwezen naar het mandaatbesluit doet hier niet aan af. In tegenstelling tot het college, is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de brief van 14 november 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat de overplaatsing van verzoekster niet