Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:22097
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,541 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52086
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 29 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig was omdat hij ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025, kenmerk AWB 25/3308. Eiser mocht dus niet worden uitgezet. Daarbij komt nog dat het besluit van de minister van 23 oktober 2025 tot ongegrondverklaring van het bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt: de gemachtigde van eiser in die zaak had ten tijde van het indienen van de gronden tegen de maatregel nog geen besluit ontvangen. Verder is onduidelijk waarom eiser is staande gehouden. Uit het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht van 23 oktober 2025 blijkt niet dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt, althans welk besluit aan hem is uitgereikt en ook niet dat eiser is staande gehouden tijdens zijn meldplicht. Volgens eiser moeten alle relevante feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, worden opgenomen in het proces-verbaal staandehouding.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser zich op die datum is staande gehouden in het politiebureau te Utrecht. In het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025 staat vermeld dat deze staandehouding plaatsvond bij de wekelijkse meldplicht van eiser. Uit het verslag van een met eiser op dezelfde datum gehouden vertrekgesprek blijkt duidelijk dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser voor de ontvangst van het besluit getekend heeft.
5. De rechtbank overweegt dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, volgt dat alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de staandehouding relevante feiten en omstandigheden moeten zijn opgenomen in het proces-verbaal van staandehouding. De minister kan hiervoor ook verwijzen naar andere in het dossier opgenomen stukken, zo lang de rechtbank uit het samenstel van de betreffende stukken voldoende informatie heeft om de gehele relevante context van feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt en bekendgemaakt en daardoor in werking is getreden conform de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanaf dat moment was eiser niet meer rechtmatig in Nederland en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Vw staande worden gehouden. Dat het besluit niet op de dag van staandehouding bekend was bij de gemachtigde van eiser in de reguliere verblijfsprocedure, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren, omdat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet verwijderbaar was. Hij verblijft bij zijn moeder in [plaats] en er is geen sprake van niet actief meewerken aan de uitzetting. Tot aan de staandehouding had eiser procedureel rechtmatig verblijf en was er geen sprake van een vertrekplicht, dus hoefde eiser daar ook niet aan mee te werken.
7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Verweerder heeft ter zitting de gronden 4c en 4d ingetrokken.
9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet rechtmatig in Nederland verbleef. De minister heef daarom de gronden 3c, 3h en 3i aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Omdat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de andere gronden geen bespreking meer. Dat bij de motivering van de gronden niet expliciet is verwezen naar het besluit van 23 oktober 2025 maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze gronden niet feitelijk juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiser heeft vervolgens betoogd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hij verbleef bij zijn moeder in [plaats] en is dus traceerbaar.
11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser sinds 2017 onrechtmatig in Nederland was en sinds die tijd niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Hij heeft zich enkele malen niet gemeld en in 2023 is hij met onbekende bestemming vertrokken. Verder stelt hij af en toe in [plaats] te verblijven, maar noemt hij geen adres. Dit is door eiser niet bestreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij detentieongeschikt is.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.