Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:22058
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,695 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21897
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer 1]
[eiser]
, eiser
V-nummer [V-nummer 2] ,
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. Sojo).
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de door [referent] (referent) ingediende aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv’s) aan eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, [tolk] als tolk, [naam] van Stichting Sterk Huis en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [datum] 2005 en [datum] 2008, de Eritrese nationaliteit te hebben en de halfzus en halfbroer van referent te zijn. Aan referent is op 20 september 2019 een verblijfsvergunning asiel verleend. Op 30 januari 2020 heeft referent onder meer aanvragen ingediend voor mvv’s voor eisers met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
Bij besluit van 10 februari 2021 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 april 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen zijn eisers in beroep gegaan. Bij uitspraak van 23 augustus 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep, voor dit ziet op eisers, gegrond verklaard en geoordeeld dat verweerder een nieuwe belangenafweging zal moeten maken in het geval van eisers. Hierbij dient verweerder rekening te houden met de stelling dat referent kwetsbaar is en dat hij veel moeite heeft om zichzelf te handhaven in Nederland. Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder overweegt dat referent de identiteit van zijn halfzus en halfbroer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook de familierechtelijke relatie wordt niet aannemelijk geacht. Hier wordt door verweerder echter het voordeel van de twijfel voor verleend, nu eisers en referent in de periode van 2010 tot 2016 in Eritrea met elkaar hebben samengewoond en zij nog altijd contact hebben met elkaar. Het gezinsleven in de zin van artikel 8 van de EVRM wordt tussen eisers en referent aangenomen, zoals door verweerder reeds werd bevestigd ter zitting van 16 augustus 2024. Door verweerder is een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de Nederlandse Staat volgens verweerder zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van eisers en referent bij gezinshereniging. Beroepsgronden
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartoe het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers en referent uitvalt. In dat verband laat verweerder na te onderbouwen dat sprake moet zijn van intensief gezinsleven, nu door toedoen van verweerder sprake is van een zeer lange nareisprocedure. De aard en intensiteit van het gezinsleven is veranderd door de vlucht van referent. Dat hierdoor de zorgtaken voor eisers door andere familieleden zijn overgenomen kan in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Verweerder heeft in de belangenafweging ten onrechte niet onderkend dat volgens de Werkinstructie 2020/16 onder iedere omstandigheid bij minderjarigen een kleine beoordelingsmarge geldt. Voorts overweegt verweerder ten onrechte dat eisers er belang bij hebben om bij hun vader te verblijven in plaats van bij referent, terwijl zij momenteel ook zonder vader leven. Bovendien heeft verweerder ten onrechte niet onderkend welke problemen referent in Nederland heeft gehad. Verweerder heeft verder onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat er meerdere onrechtmatige besluiten zijn genomen, waardoor deze procedure al ruim vier jaar loopt. Verweerder overweegt tot slot ten onrechte dat het gezinsleven op de huidige wijze kan worden voortgezet, terwijl het uitgangspunt gezinshereniging is. Daarbij heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of er recht op gezinsleven bestaat in de zin van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Gezinsleven
5. In artikel 8 van het EVRM staat dat iedereen recht heeft op bescherming van zijn gezinsleven. Het is in deze zaak geen geschilpunt meer dat er tussen eisers en referent gezinsleven aanwezig is. Dit betekent echter niet zonder meer dat eisers een verblijfsvergunning in Nederland moeten krijgen. Dat is pas het geval indien de belangen van eisers en referent bij gezinshereniging zwaarder wegen dan het algemene belang van de Nederlandse Staat. Verweerder moet een evenwichtige afweging maken van deze belangen, waarbij hij alle relevante aspecten moet meewegen. Daarbij heeft verweerder een beoordelingsmarge. Om die reden toetst de rechtbank de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend. Wel toetst de rechtbank zonder terughoudendheid of alle aspecten zijn meegewogen.
6. Verweerder heeft in eisers voordeel meegewogen dat sprake is van gezinsleven. Dat het gezinsleven niet in Nederland hoeft te worden uitgevoerd, weegt verweerder niet ten onrechte in het nadeel van eisers. Verweerder heeft hiertoe niet ten onrechte overwogen dat eisers en referent onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt waarom het gezinsleven niet kan worden voortgezet op de wijze zoals hier nu invulling aan wordt gegeven – namelijk middels telefonisch contact drie keer per week. In dat kader heeft verweerder kunnen overwogen dat geen sprake is van een dusdanig intensief gezinsleven, dat daarvoor de aanwezigheid van eisers hier te lande nodig is. Door verweerder is ter zitting bevestigd dat – gelet op zijn minderjarige leeftijd destijds– niet aan referent wordt tegengeworpen dat hij geen verzorgingstaken op zich heeft genomen in Eritrea. Echter, ook gedurende het verblijf van referent in Nederland is geen sprake geweest van zorgtaken die door hem zijn vervuld, al dan niet op afstand. Zo is niet gebleken dat referent (financiële) verantwoordelijkheden of opvoedende taken heeft ten opzichte van eisers. Omdat deze zorgtaken door andere familieleden in Eritrea (hierna: feitelijke verzorgers) wel worden vervuld, heeft verweerder kunnen overwegen dat de banden die eisers met hun feitelijke verzorgers hebben sterker worden geacht te zijn dan de band die zij met referent hebben. Verweerder heeft in dit kader voldoende gemotiveerd dat eisers al hun hele leven in Eritrea wonen en daar familiecontacten hebben. Zo verwijst verweerder naar de tante van eisers die over het gezag beschikt, de opa van eisers die hen af en toe bezoekt en de oom van eisers die zich weliswaar in Israël bevindt, maar eisers van financiële zorg voorziet. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de binding van eisers met Eritrea zeer sterk wordt geacht en heeft verweerder dit niet ten onrechte in het nadeel van eisers gewogen..
7. Voor zover referent ter zitting heeft gesteld dat indien zijn moeder nog zou hebben geleefd, eisers van rechtswege mee zouden zijn gekomen naar Nederland in het kader van gezinshereniging, betreft dit een hypothetische situatie die door verweerder niet hoeft te worden meegewogen in de beoordeling.
8. Dat het gebrek aan stabiliteit van referent gedurende zijn verblijf in Nederland onvoldoende door verweerder is betrokken in de belangenafweging, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft de persoonlijke problemen van referent gedurende zijn verblijf in Nederland bij de bijzondere omstandigheden voldoende betrokken in de belangenafweging. Door verweerder wordt in het bestreden besluit erkend dat referent lastige omstandigheden in Nederland heeft ondervonden. Verweerder heeft op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde omstandigheden niet in het voordeel van referent worden meegewogen. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om te stellen dat sprake is van een zodanige intensieve afhankelijkheidsrelatie van referent met eisers, dat duurzaam gezamenlijk verblijf in Nederland noodzakelijk is en dat dit de belangen van de Nederlandse staat overstijgt. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat eisers en referent niet aannemelijk hebben gemaakt in hoeverre de problemen verholpen zouden worden indien zij herenigd zouden worden in Nederland.
9. Verweerder heeft de vluchtsituatie van referent kenbaar betrokken in de belangenafweging. In dit kader heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat hieraan geen doorslaggevend gewicht in het voordeel van referent wordt toegekend. Hoe dit door verweerder anders had moeten worden betrokken, is door eisers niet nader gemotiveerd.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2024:13555.
Beoordeling
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Referent verwijst hierbij naar correspondentie van een begeleider van referent uit 2024 over de situatie van referent in Nederland.
Richtlijn 2003/86/EG.
Afdelingsuitspraak van de Raad van State van 29 mei 2024 met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2024:2145, rechtsoverweging 6.1.