Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:22044
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,543 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29686
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de volgens hem kennelijke beslissing van de minister om eiser als meerderjarig aan te merken. Deze beslissing zou zijn opgenomen in het rapport dat is opgesteld van het aanmeldgehoor op 13 juli 2024. Eiser is het daar niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat, als eiser van mening is dat sprake is van een besluit waartegen hij kan opkomen, hij eerst bezwaar moet maken. Dat heeft hij niet gedaan, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 13 juli 2024 heeft een aanmeldgehoor plaatsgevonden. Uit het verslag van dat aanmeldgehoor blijkt dat aan eiser is meegedeeld dat hij vanaf dat moment als meerderjarig zou worden gezien en zijn leeftijdsregistratie zou worden aangepast.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze mededeling in het verslag van het aanmeldgehoor. De minister heeft met de brieven van 5 september 2024 en 4 september 2025 gereageerd op het beroep.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser eerst bezwaar had moeten maken tegen het besluit om hem als meerderjarig aan te merken voordat hij beroep instelde. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk. In de brief van 4 september 2025 heeft de minister daarnaast gesteld dat er volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geen bezwaar en beroep open staat tegen een wijziging van de leeftijd van een vreemdeling, zodat hij het bezwaar waarschijnlijk niet-ontvankelijk zal verklaren.
3.1.
Eiser betoogt dat zijn beroep ontvankelijk is. Hij voert aan dat uit diezelfde rechtspraak volgt dat hij wél beroep heeft kunnen instellen tegen het besluit. Eiser is namelijk naar eigen zeggen rechtsreeks in zijn belangen getroffen door het besluit, nu hij door de leeftijdswijziging geen recht meer heeft om onderwijs te volgen. Hier heeft hij alleen recht op als hij is geregistreerd als minderjarige. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat hij rechtstreeks in beroep is gegaan, omdat het volgen van de bezwaarprocedure te lang zou hebben geduurd, gelet op het belang van eiser.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser eerst bezwaar had moeten maken, voordat hij beroep instelde. Uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt namelijk dat pas beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, als eerst bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan. Hierop zijn een aantal uitzonderingen, maar geen daarvan is in dit geval van toepassing. Zo gaat het hier niet om een besluit dat is genoemd in de Regeling rechtstreeks beroep. Dat het volgen van de bezwaarprocedure lang duurt, maakt niet dat van de hoofdregel kan worden afgeweken. Los van de hoofdregel kan het bestuursorgaan ook in een bezwaarschrift worden gevraagd om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, maar zo’n verzoek heeft eiser niet gedaan. Daarnaast heeft de minister tijdens de zitting verklaard dat hij niet wil instemmen met zo’n verzoek.
3.3.
In bezwaar kan de minister beoordelen of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat de mededeling in het aanmeldgehoor dat eiser meerderjarig is, een besluit is waar bezwaar en beroep tegen openstaat.
Conclusie
4. Nu eiser eerst bezwaar had moeten maken, is het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank zal het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb naar de minister doorsturen ter behandeling als bezwaarschrift. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden
Dictum
De rechtbank:
verklaart het door eiser ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het beroepschrift naar de minister wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De minister verwijst naar ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256. Zie ook artikel 6:3 van de Awb.
Zie hiervoor artikel 7:1 van de Awb.
Zie artikel 7:1, eerste lid, onder g, van de Awb.
Dit staat in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF2914.