Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:21972
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,107 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37523
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres 1] , v-nummer: [nummer 1]
[eiseres 2] , v-nummer: [nummer 2]
[eiser] , v-nummer: [nummer 3]
[eiseres 3] , v-nummer: [nummer 4]
samen: eisers, en [referent], v-nummer: [nummer 5] , referent
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.W. Immink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er weliswaar sprake is van familieleven tussen referent en zijn moeder en zusje, maar dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eisers uitvalt. Verder mocht de minister zich op het standpunt stellen dat tussen referent en zijn oudere broer en zus geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de aanvraag terecht is afgewezen en eisers geen gelijk krijgen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij referent. Eisers zijn de broer, zus, zusje en moeder van referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Toelichting aanvraag
3. Referent is op veertienjarige leeftijd gevlucht uit Pakistan en heeft vanaf 13 oktober 2020 een verblijfsvergunning. Hij is inmiddels meerderjarig en wil zijn moeder ( [eiseres 1] ), zusje ( [eiseres 3] ) en oudere zus ( [eiseres 2] ) en broer ( [eiser] ) laten overkomen vanuit Pakistan voor gezinshereniging. De vader van referent is in 2008 overleden.
De besluitvorming
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is gemaakt. De minister heeft desondanks besloten om geen DNA-test aan te bieden aan eisers. De minister vindt namelijk dat tussen eisers en referent, ook al zouden zij familie zijn van elkaar, geen (beschermenswaardig) familieleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister erkent dat tussen referent en zijn moeder en referent en zijn zusje sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de belangen van de moeder en het van referent echter afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat en deze belangenafweging is in het nadeel uitgevallen van de moeder en zusje. Tussen de oudere zus en broer en referent is volgens de minister geen sprake van familieleven omdat tussen hen en referent niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft de aanvraag van eisers om die reden afgewezen.
Is het besluit bevoegd genomen?
5. Eisers betogen allereerst dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 3 september 2024 de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet langer bevoegd was het besluit te nemen, maar de minister toen bevoegd was.
5.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, maar van een ondertekeningsgebrek. Voor de rechtbank is voldoende aangetoond dat de minister het besluit heeft genomen en dat enkel de wijze van ondertekenen nog niet was aangepast op de nieuwe situatie. Er is derhalve sprake van een kennelijke verschrijving in de ondertekening, hetgeen in beroep ook is onderkend.
Is tussen referent en [eiseres 2] en [eiser] sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
Het beoordelingskader
6. Op 27 maart 2024 heeft de Afdeling drie uitspraken gedaan inzake gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige vreemdelingen buiten het kerngezin als er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarom zal de Afdeling deze banden vanaf nu aanduiden als ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’, in plaats van het eerder gehanteerde begrip ‘more than normal emotional ties’.
6.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister een brede beoordeling moet maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn.Deze beoordeling is van feitelijke aard.
6.2.
De minister heeft in het bestreden besluit getoetst aan de term ‘more than normal emotional ties’. Op zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de door de Afdeling gebruikte term ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ in deze zaak geen verandering brengt in de door de minister verrichte toets in het kader van artikel 8 van het EVRM dan wel de uitkomst ervan. De rechtbank begrijpt hieruit dat de minister zich op het standpunt stelt dat tussen referent en zijn oudere zus en broer geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Wat vinden eisers?
7. Eisers betogen dat de minister niet juist heeft beoordeeld of er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen referent en zijn oudere zus en broer. Zij betogen dat de minister had moeten toetsen of sprake was van familieleven tussen de moeder van referent en zijn broer en zussen. Als dat zo is, dan is volgens eisers automatisch sprake van familie- of gezinsleven tussen referent, zijn moeder en dus ook zijn broer en zussen. De minister heeft deze toets ten onrechte niet gedaan. Referent wijst er verder op dat hij met zijn broers en zussen heeft samengeleefd in hetzelfde gezin en dat hij toen zelf nog minderjarig was, en dat ook daarom sprake is van familie-of gezinsleven tussen hem en [eiseres 2] en [eiser] .
7.1.
Voorts is volgens eisers sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn oudere zus en broer. Eisers wijzen erop dat de vader van referent in 2008 is overleden en dat de oudere zus van referent niet meer kan werken omdat zij een ongeluk heeft gehad, en omdat de school waar zij werkte is gebombardeerd. De oudere broer van referent is verstandelijk en fysiek gehandicapt en daarom ook niet in staat om te werken. Het overlijden van de vader van referent heeft volgens eisers gezorgd voor een grote mate van emotionele afhankelijkheid binnen het gezin. Daarbij speelt volgens eisers ook een belangrijke rol dat vrouwen in de omgeving waar eisers wonen zeer beperkt zijn in hun bewegingsvrijheid omdat zij niet alleen (zonder begeleiding door een man) over straat mogen. Er bestaat voor eisers dan ook geen andere mogelijkheid dan zich door referent financieel te laten ondersteunen. Er is enige tijd sprake geweest van financiële steun door een oom, maar deze steun is inmiddels opgehouden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Onbestreden is dat de broer van referent lichamelijk en verstandelijk gehandicapt is en dat de oudste zus van referent door een ongeluk beperkt is in het verrichten van arbeid. De rechtbank bespreekt hieronder de feiten en omstandigheden die er volgens eisers toe hadden moeten leiden dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de broer, de oudste zus en referent. Omdat enkele van deze feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld de financiële afhankelijkheid en de gestelde rol van referent in het gezin, ook een rol spelen in de belangenafweging ten aanzien van de moeder en het zusje van referent zal de rechtbank hierna gemakshalve spreken over (alle) eisers en daar waar nodig een onderscheid tussen hen aanbrengen.
9. Het betoog van eisers slaagt niet. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister op juiste wijze heeft getoetst of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn oudere zus en broer. Hij heeft terecht niet het familieleven tussen de moeder van referent en tussen haar overige kinderen beoordeeld. Zoals hierna volgt heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging ten aanzien van de moeder van referent negatief uitvalt. Dit betekent dat zij niet in aanmerking komt voor verblijf en dat de oudere zus en broer van referent het familieleven daarom in Pakistan kunnen blijven uitoefenen met hun moeder. De verwijzing naar het jongvolwassenenbeleid treft ook geen doel. Immers, dit beleid ziet op het familieleven tussen ouders en meerderjarige kinderen, niet op familieleven tussen andere meerderjarige gezinsleden.
9.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn oudere zus en broer. Dit wordt door eisers ook niet betwist.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eisers in stand blijft. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS, 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:765, r.o. 3.1.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5072.
Zie bijvoorbeeld de recente uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275
Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187
De rechtbank wijst in dit kader op een uitspraak van de Afdeling van 10 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3653, r.o. 4.2..
Beoordeling
Ook stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn oudere zus en broer. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Onweersproken is dat de gezondheidsproblemen van de oudere zus en broer van referent niet maken dat zij afhankelijk van hem zijn. Wat betreft de emotionele band tussen referent en eisers is voor de rechtbank aannemelijk dat de dood van de vader van referent ervoor heeft gezorgd dat ze als gezin hechter zijn geworden. Dit neemt echter niet weg dat de minister terecht heeft overwogen dat dit niet automatisch leidt tot het aannemen van emotionele afhankelijkheid. Aan het betoog van eisers dat referent sinds de dood van zijn vader de vaderrol heeft overgenomen heeft de minister geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser inmiddels 11 jaar geleden is vertrokken uit Pakistan en dat eisers zich tot op heden zonder referent hebben gered. Op zitting heeft eiser nog gesteld dat het feit dat zijn moeder en zussen zich niet zonder manspersoon buiten de deur kunnen begeven ook maakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Alhoewel het voorstelbaar is dat dit een lastige situatie is, temeer nu referent er terecht op wijst dat zijn oudere broer door zijn mentale en fysieke beperking geen beschermende rol kan vervullen, geldt ook hier dat eisers zich tot op heden gedurende 11 jaar hebben gered in Pakistan. Over de financiële afhankelijkheid stelt de minister zich terecht op het standpunt dat financiële ondersteuning op afstand mogelijk is. Gezien voorgaande heeft de minister het feit dat referent met zijn gezin heeft samengewoond tot aan zijn vertrek daarvoor voldoende hoeven vinden om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen tussen referent en zijn oudere zus en broer.
Heeft de minister een juiste belangenafweging gemaakt?
10. Eisers betogen dat de minister bij de gemaakte belangenafweging onvoldoende heeft meegewogen dat het gezin duurzaam zal worden gescheiden als zij niet naar Nederland mogen komen. De minister heeft eisers verder niet mogen tegenwerpen dat hun band met Pakistan groter is dan die met Nederland. Eisers wijzen erop dat zij in Pakistan niet veilig over straat kunnen waardoor zelfs boodschappen doen een risicovolle activiteit is. Verder betogen eisers dat de minister heeft miskend dat referent altijd het vaderfiguur is geweest voor zijn zusje en dat zijn zusje juist door zijn aanwezigheid meer bewegingsvrijheid had. Het is daarom niet in het belang van referent zijn zusje om in Pakistan bij haar moeder te blijven.
Het beoordelingskader
11. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van inmenging in het recht op familie- of gezinsleven, omdat de minister moeder geen verblijfstitel heeft ontnomen die hen tot het uitoefenen van dat familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde. Beoordeeld dient te worden of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven voor de minister een positieve verplichting voortvloeit om eisers verblijf toe te staan.
11.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bestuursrechter moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- of gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
12. De rechtbank stelt vast dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden in kaart heeft gebracht en in onderling verband heeft gewogen. De minister heeft daarbij in het voordeel van moeder en de zusje betrokken dat niet is gebleken dat eisers een gevaar vormen voor de openbare orde en dat er een objectieve belemmering voor referent bestaat om het familieleven in Pakistan uit te oefenen. In het nadeel van moeder en de zusje heeft de minister meegewogen dat referent een uitkering geniet en niet voldoende middelen heeft om zijn moeder en zusje te onderhouden, waardoor zij voor last van de staat zullen komen bij aankomst in Nederland. De minister wijst in het kader van het economisch belang verder op de nog te maken kosten voor gezondheidszorg en onderwijs ten aanzien van de familie van referent, mochten zij naar Nederland komen. Verder heeft de minister erop gewezen dat, alhoewel wordt aangenomen dat referent als jongvolwassene nog tot het gezin behoort van moeder, dat niet betekent dat de belangenafweging ook in het voordeel van referent dient uit te vallen. In dit kader dient gekeken te worden naar de vraag of de aanwezigheid van moeder en de zusje daadwerkelijk essentieel is. De minister wijst er in dit kader terecht op dat uit de verklaringen van referent weliswaar blijkt dat hij troost haalt uit de aanwezigheid van zijn moeder en zusje, maar dat niet is gebleken dat hij zonder hen in Nederland niet kan functioneren. Ook is niet gebleken dat referent de hoofdverzorger was van zijn minderjarige zusje toen zij nog in Pakistan woonden of dat verblijf bij referent voor zijn zusje noodzakelijk of essentieel is. Referent heeft immers zelf in bezwaar verklaard dat zijn moeder voor zijn broer en zussen zorgt. Daarbij mag de minister waarde toekennen aan het feit dat het zusje van referent (ook) belang heeft om juist bij haar moeder en oudere zus en broer te verblijven in het land waar zij is opgegroeid. Over de veiligheidssituatie in Pakistan merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank is het met eisers eens dat de veiligheidssituatie in het land van herkomst een rol kan spelen in de belangenafweging voor zover deze van invloed is op het familieleven. Dit blijkt uit rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in zijn standpunt in beroep dat deze omstandigheden geen waarde toekomen in de te verrichten belangenafweging. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat geen sprake is van een fair balance tussen de belangen van eisers en die van referent. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de minister de veiligheidssituatie wel heeft meegenomen in de belangenafweging. De minister heeft er in dit kader op gewezen dat niet is gebleken dat de moeder door het vertrek van referent in een onveilige situatie terecht is gekomen. Daarbij acht de minister van belang dat weliswaar uit de verklaringen van referent blijkt dat eisers het lastig hebben in Pakistan, maar niet dat zij zich niet staande kunnen houden.
12.1.
Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat de duur van de procedure moet meewegen in het voordeel van eisers. De rechtbank volgt dit betoog niet omdat de duur van de procedure, hoe vervelend ook, niets zegt over het familieleven tussen referent en zijn moeder en zusje. Ook ziet de rechtbank in het dossier en het verhandelde ter zitting geen grond voor het betoog van eisers dat de minister de belangenafweging met opzet in het nadeel van de moeder van referent heeft doen uitvallen, omdat hij niet wil dat de oudere zus en broer van referent naar Nederland komen.
12.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van eisers bij de uitoefening van het familie- of gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.