Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:21946
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38795
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De hem toekende facultatieve tijdelijke bescherming is op 4 maart 2024 geëindigd. Dat eiser na 4 maart 2024 nog feitelijk mocht gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had, maakt dit niet anders.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser met het besluit van 21 juli 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
2.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
3. Eiser komt uit India. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 13 november 2023 buiten behandeling gesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bekend gemaakt met het besluit van 23 augustus 2023. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met de uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In de brief van 29 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Ook staat in die brief dat eiser geen terugkeerbesluit zou ontvangen omdat hij nog een lopende asielaanvraag had.
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De minister heeft eiser op 1 mei 2024 bericht dat hij onder de bevriezingsmaatregel viel. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Zijn recht op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn is op 4 maart 2024 geëindigd en hij heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Ook is eiser niet in het bezit van een verblijfsvergunning.
Mocht de minister op 21 juli 2025 een terugkeerbesluit opleggen?
5. Eiser betoogt dat de minister op 21 juli 2025 geen terugkeerbesluit mocht uitvaardigen, omdat hij toen nog rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser mocht namelijk nog tot 4 september 2025 gebruik maken van de rechten voortvloeiend uit de Richtlijn.
5.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De minister heeft daarom terecht na deze datum een terugkeerbesluit opgelegd. Dat eiser daarna als gevolg van de bevriezingsmaatregel nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn leidt er niet toe dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen. Deze bevriezing houdt namelijk niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. De rechtbank verwijst ter vergelijking in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.
ECLI:NL:RVS:2024:1742.
ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Kamerstukken II, 2024-2025, 19637, nr. 3434.
ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.
Zie ook ABRvS (vz.rechter) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.
ECLI:EU:C:2018:465, punt 44 ev. Zie ook ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 8 en 9.