Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:21790
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,360 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.36888 en NL25.36903
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergwming asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten <lat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eisers gegrond?
3. De minister heeft de aanvragen op 15 april 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3 Eisers hebben de minister op 18 juli 2025 in gebreke gesteld. Eisers hebben meer dan twee weken na de ingebrekestellingen beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank: geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank: een andere termijn geeft.4 In deze zaken is dit aan de orde.
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank: bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak gehoren omtrent de asielmotieven van eisers moet afnemen en binnen acht weken daama de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
Is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet) in strijd met het non discriminatiebeginsel?
6. Van 11 juli 2021 tot 15 april 2025 gold de Tijdelijke wet. Deze wet is nog van toepassing op deze zaken. Volgens eisers is deze wet in strijd met het non discriminatiebeginsel.
7. De rechtbank: oordeelt dat het beroep van eisers op het non-discriminatiebeginsel niet slaagt. Dit beginsel houdt namelijk in dat personen in vergelijkbare situaties een vergelijkbare behandeling zouden moeten krijgen en niet minder gunstig behandeld mogen worden, omdat ze een bepaalde "beschermde" eigenschap bezitten.5 Zoals volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 30 november 2022 verschilt de asielprocedure met andere bestuurlijke procedures wat betreft het voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken.6 De rechtbank: is daarom van oordeel dat eisers niet in een vergelijkbare situatie verkeren als een persoon in een andere bestuursrechtelijke procedure, waarin de bestuurlijke dwangsom niet is afgeschaft. Alleen al daarom is er geen sprake van discriminatie.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
8. De rechtbank: verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbank:en in dit verband hanteren.7 De rechtbank: bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
9. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
I 0. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen
4 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.
5 Zie bijvoorbeeld het Handboek over het Europese non-discriminatierecht van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en Raad van Europa, 2020, p. 46 en ECLI:NL:RVS:2018:3113 ro.2.4.
6 ECLI:NL:RVS:2022:3352.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extradwangsom.aspx.
met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.8 Dit is slechts anders als de minister v66r 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist en de minister eveneens v66r die datum in
gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie
11. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens bet Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor bet indienen van bet beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5). Eisers verwijzen voor de vergoeding van kosten vanjuridische bijstand naar artikel 7:15 van de Awb. De rechtbank kan die verwijzing niet plaatsen, omdat dit artikel ziet op de kosten die gemaakt worden in verband met de behandeling van een bezwaar. In een asielprocedure als de onderhavige bestaat niet de mogelijkheid van bezwaar.9
13. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn echtgenoten van elkaar, hebben de aanvragen gelijktijdig ingediend en hebben dezelfde gemachtigde. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot bet bedrag dat in een zaak zou worden toegekend.10 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.11
8 Stb. 2025, 96.
9 Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 29 augustus 2022 (zaaknummer NL22. l 5292).
10 Artikel 3 van het Bpb.
11 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vemietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nadere gehoren af te nemen en binnen acht weken na die nadere gehoren besluit op de aanvragen bekend te maken, in ieder geval binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.36888;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van€ 453,50, toe te kennen in zaaknummer NL25.36888.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u bet niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.