Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:21671
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,107 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53549
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
1. De minister heeft op 31 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door het overleggen van een afstandsverklaring afgezien van het recht om ter zitting te worden gehoord. Zijn gemachtigde is op de rechtbank verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Op 30 oktober 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag (vrijwillig) ingetrokken. Eiser valt daarmee onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat om de zware gronden 3a, 3b, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, nu eiser in 2022 bij zijn eerste binnenkomst in de EU niet in het bezit was van een reisdocument of een inreisstempel van het Schengengebied. Eiser beschikte ook niet over een visum. Dat hij op 29 oktober 2025 door Zwitserland op grond van de Dublinverordening gereguleerd aan Nederland is overgedragen, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook grond 3b is feitelijk juist, nu eiser op 20 oktober 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De grond 3d is ook feitelijk juist, nu eiser geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft ook geen activiteiten verricht om alsnog in het bezit te komen van dergelijke documenten. Daarnaast heeft eiser gebruikt gemaakt van een alias. Ook de zware grond 3i is feitelijk juist. Zo heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij niet terug wil keren naar Algerije.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de lichte gronden daarom onbesproken.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De rechtbank stelt vast dat eiser er door de minister ook op is gewezen dat eventuele medische/psychische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De enkele stelling dat eiser mentale druk ervaart, maakt dat oordeel niet anders.
Voortvarendheid
7. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft op 4 november 2025 een vertrekgesprek plaatsgevonden en is op 5 november 2025 een lp-aanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten.
Zicht op uitzetting
8. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59 van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Algerije geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken.
8.1.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting verleend. Uit het dossier blijkt niet dat eiser hieraan gevolg heeft gegeven. Het zicht op uitzetting is ook hiermee gegeven.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Europese Unie.
Laissez-passer.
Zie de Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.