Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:21655
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,083 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39599
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hiema: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet warden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 3 januari 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3
4. Eiser komt uit Syrie. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrie een besluitmoratorium.4 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die v66r of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met eenjaar tot ten boogste 21 maanden.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Stet. 2024, 41538.
5. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op bet moment van de inwerkingtreding van bet moratorium.6 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van bet moratorium.
6. De minister diende uiterlijk op 3 juli 2025 te beslissen op de aanvraag (3 januari 2024 + zes maanden + eenjaar, tot in totaal ten boogste 21 maanden). Eiser beeft de minister op 6 augustus 2025 in gebreke gesteld en heeft op 21 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt verder vast <lat eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep beeft ingesteld tegen bet niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom kennelijk ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de <lag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7 In deze zaak is dit aan de orde.
8. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de recbtbank een afweging. Daarbij boudt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvonning.8 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de bebandelingsprocedure dient te warden afgerond in dit geval is overscbreden, is een van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook boudt de recbtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser nog niet is geboord omtrent zijn asielmotieven. De recbtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acbt weken na de <lag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. De recbtbank verbindt aan baar uitspraak een dwangsom overeenkomstig bet beleid dat de recbtbanken in dit verband banteren.9 De recbtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-.
Heefl de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
10. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrie.
6 Vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3082 en ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.
7 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tij d/Paginas/extradwangsom.aspx.
11. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.10 Dit is slechts anders als de minister v66r 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist en de minister eveneens v66r die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vemietigt bet met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
10 Stb. 2025, 96.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u bet niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de <lag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u <lit in uw verzetschrift aangeven.