Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:21575
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/8344 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025. Namens eiseres is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2] . De rechtbank heeft de zaak ter zitting verwezen naar een meervoudige kamer. Met instemming van partijen heeft de rechtbank een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 1 april 2022 op aangifte een bedrag van € 629 aan Bpm voldaan voor de registratie van een Opel Corsa (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 22 december 2020. 2. De aankoopfactuur van de auto van 22 maart 2022 toont een aankoopbedrag van € 12.700. 3. In de aangifte heeft eiseres de te betalen Bpm voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [bedrijfsnaam 1] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 11 februari 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 28 maart 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 24.046 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 10.691 (koerslijst [bedrijfsnaam 2] ). De taxateur heeft een bedrag van € 4.452 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten € 6.183, 81) alsmede een bedrag van € 1.069 (10% van € 10.691) wegens ex-huurverleden als schade in aanmerking genomen en de handelsinkoopwaarde na schade op € 5.170 vastgesteld. In de aangifte is eiseres uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 124 gr/km WLTP. 4. De RDW heeft de auto op 31 maart 2022 gekeurd voor gebruik op de weg. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot vastgesteld op 137 gr/km WLTP. 5. Verweerder heeft met dagtekening 4 november 2022 een naheffingsaanslag Bpm ten bedrage van € 629 aan eiseres opgelegd, waarbij verweerder is uitgegaan van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 137 gr/km WLTP. Voor het overige heeft verweerder de aangifte van eiseres gevolgd. Geschil 6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd, meer specifiek of verweerder is uitgegaan van de juiste CO2-uitstoot. Niet meer is geschil dat verweerder, in navolging van eiseres, is uitgegaan van een onjuiste (te lage) historische nieuwprijs van de auto. In dat verband is nog wel in geschil of verweerder zich ten aanzien van de vermindering van de naheffingsaanslag die zou voortvloeien uit de hogere historische nieuwprijs, kan beroepen op interne compensatie, omdat – naar verweerder stelt – hij bij het vaststellen van de naheffingsaanslag door het volgen van de aangifte van eiseres op dat punt is uitgegaan van een te lage handelsinkoopwaarde, omdat daarin tot een te hoog bedrag aan schade in aanmerking is genomen. Beoordeling van het geschil CO2-uitstoot 7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor het vaststellen van de CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de WLTP meetmethode. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. 8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) wordt de belasting voor een personenauto bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot van die auto. De voor de heffing van Bpm relevante CO2-uitstoot kan Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig – dat wil zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt – is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig) ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast. 15. Gelet op het vorenstaande kan van de koerslijstmethode geen gebruik worden gemaakt. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. 16. Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over de vermindering van de naheffingsaanslag, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. 17. Uit het verweerschrift maakt de rechtbank op dat verweerder een duidelijk, ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Daaraan is de bewuste conclusie ‘vermindering van de naheffingsaanslag’ verbonden. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift heeft hij nadrukkelijk beperkt tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling dat ‘de naheffingsaanslag tot € 286 dient te worden verminderd’ , maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de historische nieuwprijs. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel. Conclusie 18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Immateriële schade 19. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 9 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 23 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, tien maanden.