Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:21561
ECLI:NL:RBDHA:2025:21561 text/xml public 2026-06-02T12:34:58 2025-11-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-07-10 AWB - 23 _ 8234 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025112002 Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/1285 FutD 2025-2331 V-N Vandaag 2025/2350 NLF 2025/2552 met annotatie van Bastiaan Didden V-N 2025/56.2.2 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21561 text/html public 2025-11-20T10:27:00 2025-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:21561 Rechtbank Den Haag , 10-07-2025 / AWB - 23 _ 8234 pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 23/8234, SGR 23/8237 en SGR 23/8239 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2025 in de zaken tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Spauwen), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (2017), 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (2018) en 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (2019) naheffingsaanslagen loonheffingen ten bedrage van € 564.125 (2017), € 367.641 (2018) en € 49.279 (2019) opgelegd. Voormelde bedragen zien geheel op de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding. Bij alle naheffingsaanslagen is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de rentebeschikkingen verminderd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft daarbij de volgende zaaknummers aangemaakt: SGR 23/8234 (naheffingsaanslag 2017), SGR 23/8237 (naheffingsaanslag 2018) en SGR 23/8239 (naheffingsaanslag 2019). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] . Overwegingen Feiten 1. [naam 7] was bij eiseres in dienstbetrekking als Vice President Research & Development. Op 31 mei 2016 is de dienstbetrekking van [naam 7] bij eiseres wegens (vervroegde) pensionering beëindigd. Op 30 maart 2016 hebben [naam 7] en eiseres in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking een vaststellingsovereenkomst (VSO) getekend. De VSO behoort tot de gedingstukken. 2. [naam 7] heeft in de jaren 2017, 2018 en 2019 aandelen en bonussen (betalingen) van eiseres ontvangen als gevolg van de aan [naam 7] in de jaren 2013 tot en 2015 toegekende Restricted Stock Units (RSU’s). Deze RSU’s zijn onderverdeeld in de market-leveraged stock units (MSU’s) en performance long-term incentive units (LTI’s). Eiseres heeft ter zake van voormelde aandelen en bonussen de volgende bedragen verloond: 2017 2018 2019 Aantal geveste aandelen MSU’s 3.818 2.065 691 Aantal geveste LTI’s 5.647 3.068 Totaal RSU’s 9.465 5.133 691 Waarde aandelen (vesting MSU’s) € 290.593 € 197.202 € 65.706 Betalingen LTI’s (vesting LTI’s) € 429.801 € 292.986 Totaal € 720.394 € 490.188 € 65.706 3. Eiseres heeft op 1 december 2021 het aangifteformulier pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding 2016 ter zake van de beëindiging van de tewerkstelling van [naam 7] ingediend. Het excessieve deel van de vergoeding bedraagt volgens deze aangifte € 1.592.585 en het totaal te betalen bedrag aan pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding bedraagt € 1.194.438. Eiseres heeft hierbij de door [naam 7] in de jaren 2017 tot en met 2019 ontvangen aandelen en bonussen in de grondslag voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding meegenomen. 4. Verweerder heeft vervolgens met dagtekening 22 december 2021 de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd. Geschil 5. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, dat is toegekend in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd. 7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.” 11. Op grond van artikel 32bb, zesde lid, van de Wet LB zijn voordelen uit aandelenoptierechten die zijn toegekend vóór jaar t-1 uitgezonderd van de grondslag voor de pseudo-eindheffing. Voor de toepassing van voormeld artikel hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten. Jaar van heffing 12. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in dit geval de uit de RSU’s genoten aandelen en bonussen in de jaren 2017 tot en met 2019 heeft verloond. Eiseres heeft zich evenwel later op het standpunt gesteld dat deze voordelen niet in 2017 tot en met 2019 zijn genoten, maar al in 2016. Zij heeft daarbij verwezen naar de VSO. Volgens haar is in de VSO afgesproken dat eiseres de eis dat [naam 7] ten tijde van de levering van de aandelen nog in dienstbetrekking zou zijn, heeft laten vallen, zodat het recht op de levering van aandelen onvoorwaardelijk is geworden op 31 mei 2016. De verwijzing naar de VSO kan eiseres niet baten, omdat in de VSO namelijk helemaal niets over de RSU’s (MSU’s en/of LTI’s) is opgenomen. Door eiseres is geen ander bewijs van haar (latere) standpunt ingebracht. Hoewel verweerder in de bezwaarfase aan eiseres nog om (andere) documenten heeft verzocht, waaruit zou kunnen blijken hoe zij bij het einde van de dienstbetrekking van [naam 7] met de RSU’s is omgegaan, heeft eiseres te kennen gegeven dat dergelijke documenten niet beschikbaar zijn. 13. Nu er geen andere documentatie voorhanden is, moet - naar verweerder terecht heeft gesteld - voor de bepaling van het fiscaal genietingsmoment gekeken worden naar hetgeen in de desbetreffende MSU’s en LTI’s is bepaald. 14. Tot de gedingstukken behoren een MSU Award van 27 februari 2014 (AVY NEWAPRIL12MU) en een MSU Award van 26 februari 2015 (AVY2015MSU). De teksten in deze MSU Awards zijn nagenoeg identiek. In de MSU Award van 26 februari 2015 is onder meer, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Article 2 - TERMS OF AWARD Section 2.1 MSU Award (a) As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an Award of 3499 MSUs (the "MSU Award"), representing a right to receive shares of Common Stock in the future in an amount based upon the Total Shareholder Return (as defined below) at the end of each performance period described in Section 2.2, subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan.(...) Section 2.2 Performance Period (a) The MSUs shall be ratably divided into four tranches (each, a "Tranche') and each Tranche shall be associated with a specific performance period which shall commence on January 1 of the year of grant and end on December 31 of that year (First Tranche), the following year (Second Tranche), the next following year (Third Tranche) and the next following year (Fourth Tranche) (each such period, a "Performance Period" and the last day of such period, a "Performance Period End Date"). (b) Each Tranche of the MSUs is unvested as of the date hereof and, unless earlier forfeited pursuant to the terms of this Agreement, sha (ii) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche's Performance Period is equal to or greater than 0.85 and less than 1.10, then (A) the MSUs of such Tranche, unless previously forfeited, shall become vested and (B) subject to Section 3.3, the number of shares of Common Stock that shall be issued following such Share Vesting Date will approximately equal the product of ( x ) the number of vested MSUs of the applicable Tranche and (y) the sum of (I) 0.85 and (II) the product of ( X ) 0.15 and (Y) a fraction the numerator of which is the excess of such Total Shareholder Return over 0.85, and the denominator of which is 0.25. (iii) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche's Performance Period is less than 0.85, then no MSUs of such Tranche shall become vested and such MSUs shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of such Share Vesting Date. (c) For purposes of this Agreement, "Total Shareholder Return" shall equal, with respect to a Performance Period, (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the respective Performance Period End Date and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during such Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant. Section 3.3 Conditions to Issuance of Common Stock (a) The shares of Common Stock deliverable pursuant to this MSU Award, or any part thereof, may be authorized and unissued shares, previously outstanding shares held as treasury shares, or treasury shares that have been transferred to and held in a grantor trust of the Company. Such shares shall be fully paid and nonassessable. Employee shall not have the rights of a shareholder with respect to shares of Common Stock deliverable pursuant to this MSU Award until such shares are issued to Employee.”. 15. Tot de gedingstukken behoren verder een LTI Award van 26 februari 2015 (AVY CEVAPU2015) en een LTI Award van (eveneens) 26 februari 2015 (AVY CTSRPU2015). De teksten in deze LTI Awards zijn nagenoeg identiek. In eerstgenoemde LTI Award is onder meer, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “ ARTICLE 2 - TERMS OF AWARD 2.1 Performance LTI Units As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an award of 2437 Performance LTI Units, assuming that the Company’s results at the end of the performance period described in Section 2.2 produce 100% of the target performance and subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The Performance LTI Units shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s account. The Performance LTI Units shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement. 2.2 Performance Period (a) No portion of the Performance LTI Units may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the Performance LTI Units are earned and settled. Employee must be employed by the Company from the date of this Agreement until the date that the Performance LTI Units are earned and vested, except as provided in Sections 2.3 through 2.5. The "Performance Period" shall begin on the first day of the fiscal year in which these Performance LTI Units were granted and end on the last day of the fiscal year in which the second anniversary of the date of such grant occurs (resulting in a three-year Performance Period). Except as provided in Sections 2.3 and 2.4, after the end of the Performance Period, the specific amount of payment to be issued to Employee under the Performance LTI Units shall be determined based on the Company's results during the Performance Period compared against the performance goals ("Goals") approved by the Committee (as modified by any adjustment items approved by the Committee); provided that, notwithstanding anything to the contrary in t De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de MSU’s. Het einde van de Performance Period verschilt per tranche. Bij pensionering worden de voorwaardelijke rechten herrekend. De rechten die zijn toe te rekenen aan de periode waarin de werknemer in dienst was bij eiseres, komen voor vesting (levering) in aanmerking. De overige voorwaardelijk toegekende rechten komen te vervallen. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan de hoeveelheid te leveren aandelen in 2017 tot en met 2019 en de hoogte van de betalingen nog niet worden bepaald. 17. De rechtbank maakt verder uit de LTI Awards op dat bij de LTI’s een Performance Period van drie jaar geldt. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de LTI’s. De Performance Period eindigt op de laatste dag van het jaar waarin de toekenning van de LTI’s 24 maanden eerder heeft plaatsgevonden. Het werkelijk aantal te vesten LTI’s wordt na afloop van de Performance Period bepaald en is afhankelijk van vooraf geformuleerde resultaatdoelstellingen (onder andere ook de TSR) van eiseres. De geveste LTI’s worden in geld uitbetaald (aantal geveste units x waarde aandeel op vesting datum). 18. Gelet op de inhoud van voormelde MSU en LTI Awards kon op 31 mei 2016 nog niet worden vastgesteld hoeveel aandelen zouden worden gevest of hoeveel geld zou worden uitbetaald. De rechten waren toen dus nog onvoldoende bepaald. Verweerder is dan ook van het juiste genietingsmoment uitgegaan, door aan te sluiten bij het jaar waarin de aandelen en de uitbetalingen uit de RSU’s (daadwerkelijk) zijn gevest (geleverd), respectievelijk gedaan, te weten in 2017, 2018 en 2019. Dit sluit bovendien aan bij de door eiseres voor die jaren gedane verloning van die aandelen en de uitbetalingen. 19. Eiseres heeft voor haar standpunt dat de voordelen moeten worden geacht te zijn genoten in 2016 nog verwezen naar jurisprudentie inzake het genietingsmoment, de bepaalbaarheid en al dan niet loskomen van de dienstbetrekking van toegekende aandelenoptierechten. Voormelde jurisprudentie heeft echter betrekking op aandelenoptierechten en is, naar verweerder terecht heeft gesteld, in dit geval dus niet van toepassing. Immers, niet in geschil is dat de RSU’s geen aandelenoptierechten zijn. Alsdan is artikel 10a van de Wet LB in dit geval niet van toepassing maar dient voor het genietingsmoment bij artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB te worden aangesloten. 20. Al hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen. Rentebeschikkingen 21. Eiseres heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrenten geen gronden ingebracht. Nu de beroepsgronden tegen de onderhavige naheffingsaanslagen geen doel treffen, blijven de rentebeschikkingen in stand. Conclusie 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2025. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondert