Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:21559
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,193 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53486
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
1. De minister heeft op 28 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Zijn gemachtigde heeft deelgenomen via een Teams-videoverbinding. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Bij besluit van 9 februari 2025 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 23 september 2025 ongegrond verklaard. Op 30 oktober 2025 heeft de Afdeling de hiervoor genoemde uitspraak bevestigd. Eiser valt daarmee onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over een paspoort of andere identiteitsdocumenten. Ook was eiser niet in het bezit van een visum. Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook de grond 3b is feitelijk juist, nu eiser op 31 december 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De zware grond 3c is ook feitelijk juist, omdat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 9 februari 2025 is afgewezen. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. De asielprocedure is inmiddels afgerond en dat betekent dat eiser een vertrekplicht heeft. Hieraan heeft hij echter geen gevolg gegeven. Ook de zware grond 3i is feitelijk juist, nu eiser onvoldoende activiteiten heeft ondernomen in het kader van zijn terugkeer. Dat eiser zijn medewerking heeft verleend aan een presentatie en telefonisch contact heeft gezocht met het IOM, maak dat niet anders. Eiser heeft enkel telefonisch contact gezocht met het IOM, maar heeft zich niet laten inschrijven. Ook heeft hij aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar Nigeria.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden en de niet betwiste lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft eiser erop gewezen dat medische en/of psychische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. De beroepsgrond dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling door een arts onderzocht had moeten worden om te bepalen of hij detentiegeschikt is, slaagt niet. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet onder medische behandeling staat en ook geen medicatie gebruikt. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Voortvarendheid
7. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft op 30 oktober 2025 een vertrekgesprek plaatsgevonden en heeft de minister op dezelfde dag een vlucht aangevraagd.
Zicht op uitzetting
8. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. Verder stelt de rechtbank vast dat op 18 november 2025 een vlucht naar Nigeria staat geboekt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
NL25.7052.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI;NL:RVS:2025:5164.
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Internationale Organisatie voor Migratie.