Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21540
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,131 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52559
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beoordeling maatregel van bewaring
1. Eiser heeft geen gronden aangevoerd omtrent de rechtmatigheid van de bewaring.
2. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), niettemin gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de tenuitvoerlegging van de bewaring (in de eerste fase) onrechtmatig is geweest. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraken van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219, volgt dat een tijdelijke plaatsing van een vreemdeling in een politiecel na diens inbewaringstelling niet langer dan 24 uur mag duren. Nu eiser op 26 oktober 2025 om 14:48 uur in bewaring is gesteld en de politiecel op 27 oktober 2025 omstreeks 20:08 uur heeft verlaten, heeft hij langer dan de toegestane 24 uur in een politiecel verbleven. Dit betekent dat eisers maatregel van bewaring (in de eerste fase) onrechtmatig ten uitvoer is gelegd en dat eiser daarom recht heeft op een schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM in samenhang gelezen met artikel 94, zesde lid, van de Vw. De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig is, maar enkel dat de wijze van tenuitvoerlegging aanvankelijk onrechtmatig was. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur met vijf uur en 20 minuten, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van € 30,- per dag of gedeelte van een dag, vast op € 30,-.
Conclusie
4. Het beroep is gegrond, maar alleen voor zover het is gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel heeft hij aanspraak op € 30,- aan schadeloosstelling. Voor het overige is het beroep ongegrond. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
5. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring;
- veroordeelt verweerder om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling € 30,- te betalen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een betaling van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.