Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21516
Strafrecht
Wraking
941 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, E.C. Kole, en E.E. Riep,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.
Procesverloop
1.1.
Op 23 oktober 2025 heeft verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met parketnummer
09-137330-23 tegen verzoeker als verdachte.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens zijn wrakingsverzoek, voor zover van belang, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Dit is tevens een wrakingsverzoek tot dit hof.
Ze hebben moedwillig gelogen, stukken achter gehouden en tijdens de regiezitting bleven ze dit doen.”
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat verzoeker de rechters wil wraken omdat deze moedwillig hebben gelogen en stukken hebben achtergehouden.
3.3.
Deze aangevoerde gronden betreffen slechts veronderstellingen van verzoeker. Hij heeft niet onderbouwd waarop deze veronderstellingen zijn gebaseerd. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechters of zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
3.4.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, E.E. Schotte en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.