Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:21515
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,012 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29230
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: B.J.W. Immink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het door de minister aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugkeerbesluit en inreisverbod.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod op mocht leggen. Daarnaast heeft de minister de belangen van eiser in het kader van het inreisverbod voldoende meegewogen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 25 juni 2024 aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. De minister heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser door intrekking van het afgegeven visum wegens identiteitsfraude niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser dient het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk te verlaten, omdat er een risico is dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Hierbij heeft de minister gewezen op de zware grond dat eiser in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten en de lichte grond dat eiser verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor veroordeeld is. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod van 2 jaar opgelegd.
Heeft de minister aan eiser terecht een terugkeerbesluit opgelegd?
4. Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Hierbij wijst eiser op artikel 5, tweede lid, en onder b, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 8 van het EVRM. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat sprake is van privéleven omdat hij in Nederland een bedrijf heeft. Daarnaast wil zijn dochter in Nederland studeren vanaf september 2025.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit opleggen. Dat sprake zou zijn van privéleven volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in dit kader enkel gewezen op zijn bedrijf, maar dit valt niet onder het familie- en gezinsleven van artikel 5, tweede lid, en onder b van de Terugkeerrichtlijn. Verder heeft de minister in het besluit geen rekening kunnen houden met de dochter van eiser die in Nederland wil gaan studeren, aangezien dit feit pas in beroep bekend is geworden.
Heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar mogen opleggen?
5. Eiser betoogt dat, ook als het terugkeerbesluit wel rechtmatig is, aan hem geen inreisverbod had mogen worden opgelegd of dat het inreisverbod moet worden opgeheven vanwege persoonlijke omstandigheden en eisers privéleven. Aan eiser is een inreisverbod opgelegd omdat aan hem geen termijn voor vrijwillig vertrek is gegeven, maar hier had de minister van af kunnen zien. Eiser heeft er recht op en belang bij om in Europa te verblijven voor zijn werk. De onmogelijkheid om zijn onderneming te bezoeken, maakt zijn bedrijfsvoering onmogelijk. Daarnaast gaat de dochter van eiser in Nederland studeren, en het is in belang van eiser dat hij zijn dochter kan bezoeken. Het belang van eiser weegt volgens hem zwaarder dan het belang van de Staat.
5.1.
De minister heeft op grond van artikel 62, tweede lid, en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een terugkeerbesluit zonder termijn opgelegd omdat een risico op onttrekking bestaat. Het risico op onttrekking is door eiser niet betwist. Omdat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, legt de minister daarbij op grond van artikel 66a, eerste lid, en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod op. Hierbij maakt de minister een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het besluit de belangen van eiser niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het inreisverbod enkel heeft verklaard dat hij in Nederland woont en werkt. Daarover heeft de minister in het besluit niet ten onrechte opgemerkt dat eiser, door zich met een vals document in te willen schrijven, zich op illegale wijze op de Nederlandse arbeidsmarkt begeeft. Daardoor heeft de minister niet zwaarwegend hoeven achten dat eiser werkt in Nederland. De minister heeft dit standpunt tijdens de zitting nader toegelicht. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat eiser zijn werkzaamheden ook op afstand kan uitvoeren, zoals dat nu ook gebeurt. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat op de zitting is gebleken dat eiser in het verleden zijn werkzaamheden ook op afstand heeft uitgevoerd. Eiser is immers sinds 2021 bestuurder van zijn bedrijf, maar heeft pas in maart 2023 een visum verkregen waardoor aannemelijk is dat eiser vóór die tijd zijn werkzaamheden ook op afstand heeft uitgevoerd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat op dit moment geen mogelijkheid meer is. De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring van eiser dat hij woont en werkt in Nederland onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Dat de dochter van eiser vanaf september in Nederland wil gaan studeren, heeft de minister niet mee kunnen en hoeven nemen bij de belangenafweging omdat dit feit op het moment dat het besluit werd genomen nog niet bekend was. Verder heeft de minister in het besluit de openbare orde als belang van de Staat zwaar mogen meewegen, gelet op de strafbare feiten waar eiser voor veroordeeld is.
Conclusie
6. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand kunnen blijven. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).