Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:21510
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,297 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29587
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
geboren op [geboortedatum] ,
van [nationaliteit] nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om eiser een visum kort verblijf te verlenen voor bezoek aan zijn vader. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wordt gevreesd dat eiser niet tijdig zal terugkeren naar Senegal. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 januari 2024 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf met als doel verblijf bij zijn vader. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 januari 2024 afgewezen. Met het besluit van 25 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2025 is het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingediend gegrond verklaard en het besluit van 25 oktober 2024 vernietigd. De minister is opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met in achtneming van die uitspraak.
2.1.
Op 16 april 2025 is eiser akkoord gegaan met schriftelijk horen in plaats van een hoorzitting. Op 18 april 2025 heeft de minister eiser verzocht vragen te beantwoorden die zien op de sociale en economische binding van eiser met Senegal.
2.2.
Op 14 juni 2025 heeft eiser op de hiervoor onder 2.1. bedoelde vragen gereageerd.
2.3.
Op 23 mei 2025 is eiser – door tussenkomst van zijn gemachtigde – per e-mail verzocht bewijsstukken te overleggen van zijn stelling dat hij zijn inkomen, dat contant zou worden betaald, ook daadwerkelijk ontvangt. Als voorbeeld is gegeven dat hij dit zou kunnen aantonen door middel van betalingsbewijzen/kwitanties van de laatste drie contante betalingen. Op dit verzoek heeft eiser niet gereageerd.
2.4.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De gronden van het beroep zijn ingediend op 1 augustus 2025.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de weigering hem een visum kort verblijf te verlenen, opnieuw ongegrond verklaard. De minister stelt dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Senegal, op grond waarvan eiser gehouden zou zijn (tijdig) het Schengengebied te verlaten, zodat wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur en, in het verlengde hiervan, aan de juistheid van het opgegeven reisdoel. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister ter zitting toegelicht dat de weigering om eiser een visum te verlenen in het gebrek aan sociale en economische binding met Senegal zit, niet zo zeer in dat het doel voor het voorgenomen verblijf onduidelijk zou zijn. Het oordeel van de rechtbank zal zich dan ook daarop richten.
4. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van
de Europese Unie volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over
een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden
van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de
relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan
worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de minister dat een
weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Sociale binding met Senegal
5. In de onder 2 genoemde uitspraak heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een zodanige sociale binding met Senegal dat tijdige terugkeer om die reden gewaarborgd is. In die uitspraak is onder meer geoordeeld dat het feit dat eiser samenwoont met zijn moeder en zus niet zonder meer genoeg is om te waarborgen dat hij tijdig terugkeert. In deze procedure heeft eiser geen nieuwe of andere informatie verstrekt op grond waarvan het door de rechtbank gegeven oordeel in de hiervoor genoemde uitspraak niet langer juist zou zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat er inderdaad geen andere informatie is overgelegd en dat er in de situatie van eiser niets is veranderd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister het standpunt heeft kunnen innemen dat er geen sprake is van een zodanige sociale binding van eiser met Senegal dat tijdige terugkeer van eiser gewaarborgd is.
5.1.
Zoals de rechtbank in de onder 2 genoemde uitspraak heeft overwogen, moeten de sociale binding en de economische binding worden beschouwd als communicerende vaten. Omdat eiser een geringe sociale binding met Senegal heeft, zal eiser in het kader van deze aanvraag aannemelijk moeten maken dat sprake is van een sterke economische binding met Senegal.
Economische binding met Senegal
6. Ter onderbouwing van zijn economische binding met Senegal heeft eiser in de bestuurlijke fase een arbeidsovereenkomst en salarisstroken overgelegd. Ondanks een verzoek daartoe van de minister, heeft eiser in de bezwaarfase geen stukken overgelegd waaruit moet worden afgeleid dat zijn salaris contant wordt uitbetaald, zoals door hem is gesteld. In beroep heeft eiser alsnog een aantal betalingsbewijzen overgelegd, waaruit dit volgens eiser blijkt.
6.1.
De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat deze betalingsbewijzen te laat zijn overgelegd. De minister ziet niet in waarom deze bewijzen niet eerder konden worden overgelegd. Subsidiair meent de minister dat uit deze documenten nog steeds niet blijkt dat eiser zijn salaris contant krijgt uitbetaald. Bovendien bevreemdt het de minister dat het bedrag dat op de salarisstroken is genoemd bijna het dubbele is van het salaris dat is genoemd in de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst. Verder ontbreekt op de betalingsbewijzen volgens de gemachtigde van de minister een handtekening van eiser voor ontvangst van het geld. Volgens de minister heeft eiser daarmee nog steeds niet aangetoond dat sprake is van voldoende economische binding met Senegal dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
6.2.
Eiser stelt dat hij alles heeft gedaan wat in zijn macht ligt, dat hij objectieve -en verifieerbare informatie heeft verstrekt over zijn werk, zijn salaris en de uitbetaling daarvan. Als daar twijfels over zijn, ligt het volgens eiser op de weg van de minister om de door hem verstrekte informatie te verifiëren bij bijvoorbeeld zijn werkgever.
6.3.
De rechtbank kan eiser hierin volgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan
– behoudens onvolkomenheden in die documenten – normaal gesproken op basis van een arbeidsovereenkomst en bijbehorende salarisstroken in redelijkheid worden aangenomen dat iemand werk heeft en daarvoor wordt betaald. Omdat bij de minister twijfels waren of daadwerkelijk sprake was van betaalde arbeid, heeft hij verzocht om afschriften van een bank waaruit blijkt dat eiser daadwerkelijk betalingen ontvangt voor het werk dat hij verricht. Omdat eiser heeft verklaard zijn salaris contant te ontvangen, heeft de minister verzocht om bewijzen daarvan. In beroep heeft eiser een drietal betalingsbewijzen overgelegd. In verband met een doelmatige procesvoering ziet de rechtbank geen reden om deze betalingsbewijzen in verband met de late indiening buiten beschouwing te laten. Volgens de minister kan uit die stukken nog steeds niet worden afgeleid dat eiser daadwerkelijk beschikt over betaalde arbeid op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een zodanige economische binding met Senegal dat hij tijdig zal terugkeren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de minister gewezen op het verschil in salaris dat is genoemd in de arbeidsovereenkomst en de salarisstroken en betalingsbewijzen. Het bevreemdt de minister dat het bedrag op de salarisstroken en betalingsbewijzen bijna twee keer zo hoog is. De minister stelt dat het weliswaar sprake is van een arbeidscontract dat van twee jaar eerder is en dat sprake kan zijn van salarisverhoging, maar dat dit het verschil niet rechtvaardigt. Verder heeft de minister ter zitting betoogd dat het hem bevreemdt dat het salaris van eiser veel hoger is dan het Senegalese gemiddelde en dat hij zich niet kan voorstellen dat zo’n hoog bedrag contant wordt uitbetaald. In dit verband heeft de gemachtigde van de minister er ter zitting nog op gewezen dat op de betalingsbewijzen geen handtekening van eiser staat voor de ontvangst van het salaris. De rechtbank stelt vast dat deze argumenten niet worden genoemd in het bestreden. Voor wat betreft de toelichting ten aanzien van het ontbreken van eisers handtekening op de betalingsbewijzen is dat logisch, omdat die documenten pas in beroep, en dus na het bestreden besluit, zijn overgelegd. Dat het de minister bevreemdt dat het bedrag op de arbeidsovereenkomst niet overeenkomt met het bedrag op de salarisstroken had de minister al in het bestreden besluit kunnen en moeten benoemen. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dat de betalingsbewijzen niet zijn voorzien van een handtekening voor ontvangst van eiser, vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om te twijfelen aan de stelling van eiser dat hij over betaalde arbeid beschikt. De rechtbank is van oordeel dat eiser objectieve en verifieerbare documenten heeft overgelegd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij over betaalde arbeid beschikt. Omdat de minister – gegeven de omstandigheden van dit geval – niet nog meer documenten van eiser mag verlangen ter onderbouwing van zijn stelling over betaalde arbeid te beschikken, ligt het op de weg van de minister - als hij de economische binding betwijfelt - de juistheid van de door eiser overgelegde stukken en stellingen te verifiëren bij eisers gestelde werkgever.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 6 weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 juni 2025;
- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4413
Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
Algemene wet bestuursrecht