Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21473
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,517 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:21473 text/xml public 2026-03-19T12:34:57 2025-11-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-11 NL25.51839 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21473 text/html public 2025-11-14T10:25:09 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:21473 Rechtbank Den Haag , 11-11-2025 / NL25.51839 Dublin Frankrijk – buiten zitting – beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.51839 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E. Sahin), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 30 juli 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 21 juni 2023 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 3 oktober 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. 3. Eiser stelt in beroep dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hij zal in Frankrijk op straat terecht komen, nu er te weinig opvanglocaties beschikbaar zijn. Verder stelt hij dat de bestaande opvanglocaties niet voldoen aan de basisbehoeften. Hij verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk van 11 juni 2025. Eiser meent dat zijn asielaanvraag in Nederland behandeld dient te worden op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd. 5. Uit verschillende de uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. In de uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van juni 2025 geen wezenlijk ander beeld oplevert dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 30 augustus 2024 door de Afdeling is betrokken. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan hij zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. 6. Voor zover eiser stelt dat de gestelde systeemfout aanleiding had moeten geven voor verweerder om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid, geldt dat de aangedragen omstandigheden enkel zien op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling of er aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals uit hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5, blijkt dat hiervan niet is gebleken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 volgt dat deze omstandigheden derhalve niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. Gelet hierop en nu eiser geen andere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. 7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verordening (EU) nr. 604/2013. Bijvoorbeeld van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verdrag tot bescherming van de mens en fundamentele vrijheden. Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2014:3164.