Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21472
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,510 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23020
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
In het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
1. Eiseres is geboren op [datum] 1982 en heeft de Oegandese nationaliteit.
2. Op 5 april 2022 heeft eiseres asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 13 oktober 2022 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk was. Dit besluit is in rechte vast komen te staan met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 november 2022 (zaaknummers 202206645/1/V2 en 202206645/2/V2, niet gepubliceerd). Eiseres is echter niet overgedragen aan Duitsland omdat zij met onbekende bestemming is vertrokken en de termijn voor overdracht is verstreken.
3. Eiseres heeft op 4 maart 2024 opnieuw asiel aangevraagd. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij in Oeganda problemen heeft gekregen omdat zij lesbisch is. In het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld voor het indienen van deze aanvraag. In dit besluit heeft verweerder de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiseres in Oeganda problemen heeft gekregen omdat zij lesbisch is, aangezien zij daarover wisselende en vage verklaringen heeft afgelegd, zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en in grote lijnen niet als geloofwaardig is te beschouwen. Terugkeer naar Oeganda leidt daarom voor eiseres volgens verweerder niet tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder de geloofwaardigheidstoets te strikt heeft toegepast. Daarbij is er te weinig rekening gehouden met haar referentiekader. Omdat een lesbische gerichtheid in Oeganda niet bespreekbaar is, heeft verweerder ten onrechte verwacht dat eiseres hierover meer gedetailleerd had verklaard. Hierbij verwijst eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 december 2024, ECLI:EU:C:2014:2406, in de zaak ABC tegen Nederland. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder de tegenstrijdigheden in haar verklaringen over haar asielmotief en over haar relatie met [partner] tussen het aanmeldgehoor en het nader gehoor niet in de beoordeling had mogen betrekken. De asielaanvraag is volgens eiseres dan ook ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte een verplichting om terug te keren naar Oeganda heeft opgenomen, omdat verweerder niet kan garanderen dat dit voor haar veilig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit artikel 4 van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) volgt dat een asielrelaas op geloofwaardigheid moet worden beoordeeld. Dit is overgenomen in artikel 31 van de Vw. Hoe verweerder hiermee sinds 1 juli 2024 omgaat is neergelegd in de Werkinstructie 2024/6 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In zaken waarin een LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, wordt daarnaast sinds 30 december 2019 de Werkinstructie 2019/17 van de IND gehanteerd. Eiseres betwist niet dat deze werkwijzen in algemene zin rechtmatig zijn.
6. Onderdeel van deze werkwijzen is dat verweerder rekening houdt met het referentiekader van de individuele asielzoeker. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop diegene in staat is om te verklaren over het asielrelaas, waaronder opleidingsniveau, culturele en maatschappelijke achtergrond, enzovoorts. Gelet op pagina 3 van het voornemen en pagina 7 en 8 van het bestreden besluit heeft verweerder het referentiekader van eiseres kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft niet ten onrechte van eiseres verwacht dat zij in meer detail over haar gestelde lesbische gerichtheid kon verklaren, ook al komt zij uit een samenleving waarin dat niet gebruikelijk is. Hierbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiseres volgens haar verklaringen niet alleen met haar vriendin [partner] , maar ook met LHBTI-organisaties in Nederland over haar geaardheid sprak. Ook stelt de rechtbank vast dat het rapport van het nader gehoor geen blijk geeft van schroom bij eiseres om over haar geaardheid te verklaren. In het ABC-arrest is geoordeeld dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker, waaronder de kwetsbaarheid van de asielzoeker, en dat bij terughoudendheid om te verklaren over intieme aspecten van het leven niet om die reden de conclusie mag worden getrokken dat de asielzoeker niet geloofwaardig is. Hiermee heeft verweerder niet in strijd gehandeld.
7. Eiseres is op 5 april 2022 in het kader van het indienen van haar eerste asielaanvraag verhoord door de politie, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). Tijdens dit verhoor heeft eiseres verklaard dat zij naar Nederland is gevlucht omdat zij bij de oppositiepartij ‘ [partijnaam] ’ zat, en omdat zij geld heeft gegeven aan een homo/lesbienne-beweging. Tijdens het nader gehoor van 22 april 2025 heeft eiseres echter verklaard dat zij nooit problemen heeft gehad vanwege politieke activiteiten en dat zij in haar land van herkomst niet bekend was met organisaties die opkomen voor de rechten van homoseksuelen.
8. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat dit ten onrechte aan haar is tegengeworpen. Het verhoor bij de AVIM is namelijk niet bedoeld om asielmotieven in kaart te brengen. Dit verhoor maakt onderdeel uit van de aanmeldfase, die bedoeld is om in kaart te brengen welk onderzoek nodig is om de asielaanvraag te beoordelen. Eventuele tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas mogen geen gevolgen hebben voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en de bijbehorende Nota van toelichting (Staatsblad 2021/250, pagina’s 27 en 28).
9. Tijdens de zitting heeft verweerder erop gewezen dat eiseres tijdens de aanmeldfase niet gevraagd is naar haar asielmotieven, maar dat zij hierover uit zichzelf heeft verklaard. Dit maakt echter niet dat die tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over het asielrelaas wél gevolgen mogen hebben voor de beoordeling. Ook heeft verweerder gewezen op de rechtspraak van de Afdeling waarin is geoordeeld dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) niet volgt dat verweerder alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen uit het nader gehoor (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182). Dit kan verweerder echter niet baten. Het Europese Unierecht gaat namelijk uit van minimumharmonisatie. Dit betekent dat het lidstaten vrijstaat om verdergaande bescherming te bieden dan het Europese Unierecht voorschrijft. Aangezien Nederland dat met artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb heeft gedaan, is verweerder daaraan gebonden.
10. Het bestreden besluit bevat in zoverre een gebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, aangezien eiseres niet in haar belangen is geschaad. De overige tegenstrijdigheden en vaagheden die verweerder aan eiseres heeft tegengeworpen, kunnen namelijk het oordeel dragen dat het niet geloofwaardig is dat eiseres in Oeganda problemen heeft gekregen omdat zij lesbisch is. Zo heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij in het nader gehoor tegenstrijdig heeft verklaard over haar relatie met [partner] , over wanneer zij gedwongen getrouwd was met een man en over waar zij woonde, terwijl deze verklaringen rechtstreeks verband hielden met haar gestelde problemen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro) aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 11 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.