Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:21470
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,098 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7355
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en
de minister van Asiel en Migratie,
verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 25 juli 2025 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na de uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank doet daarom uitspraak buiten zitting met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 1 september 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiseres rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het besluit van 25 juli 2025. Het beroep van eiseres heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
3.2.
Met het nieuwe besluit van 25 juli 2025 heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd omdat zij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om nader onderzoek te doen naar het privéleven van eiseres of om haar over het terugkeerbesluit te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiseres voert aan dat de haar verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd en dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiseres gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, waarin het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie op verkeerde wijze is uitgelegd. Daarnaast volgt uit het arrest Kaduna en Abkez dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. Verweerder heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2022 geen onderscheid gemaakt tussen personen die facultatieve tijdelijke bescherming is verleend en zij die verplichte tijdelijke bescherming is verleend en daarmee een dergelijke toezegging gedaan. Verder voert eiseres aan dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd omdat zij nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de bevriezingsmaatregel en op grond van de op 14 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar haar persoonlijke omstandigheden en naar het bestaan van dwingende redenen van humanitaire aard die maken dat zij niet veilig terug kan keren naar Nigeria. Haar persoonlijke omstandigheden zijn daardoor niet betrokken in de besluitvorming en is niet beoordeeld of het opleggen van het terugkeerbesluit in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft privéleven in Nederland, zij werkt en onderhoudt sociale contacten. Als haar een verblijfstitel was verleend in plaats van een document waarmee haar verblijf wordt getolereerd, had er bij de intrekking daarvan een strengere toets plaats moeten vinden waarbij haar belangen zwaarder hadden gewogen. Verweerder had eiseres over deze omstandigheden moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Rechtmatig verblijf
5. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf had op 25 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres namelijk niet in haar betoog dat verweerder de aan haar verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
5.2.
Ook het betoog dat eiseres rechtmatig verblijf heeft vanwege de door verweerder getroffen bevriezingsmaatregel slaagt niet. De tijdelijke bescherming van eiseres is op 4 maart 2024 geëindigd, zodat zij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf (meer) had in Nederland. Dat het haar door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez. Met de bevriezingsmaatregel is immers niet de tijdelijke bescherming verlengd, maar enkel bepaald dat eiseres nog tijdelijk gebruik mocht maken van de rechten die zij onder de tijdelijke bescherming had.
5.3.
De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 14 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiseres niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op haar beroep. Deze uitspraak betekent dat eiseres weliswaar gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat zij, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Persoonlijke omstandigheden
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging van het verblijfsrecht en het opleggen van het terugkeerbesluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of met het privéleven van eiseres. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming geen ruimte is voor een individuele toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat het verblijfsrecht van rechtswege is geëindigd. Verweerder heeft dus terecht niet beoordeeld of het beëindigen van de tijdelijke bescherming, en daarmee het verblijfsrecht van eiseres, evenredig is.
6.1.
Ook in hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het opleggen van het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het feit dat eiseres in Nederland werkt en sociale contacten onderhoudt, niet maakt dat het terugkeerbesluit onevenredig is of in strijd is met haar recht op privéleven onder artikel 8 van het EVRM.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 25 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
8. Nu verweerder het besluit waartegen eiseres beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Van 19 oktober 2023.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez).
Verweerder heeft in afwachting op het arrest van het Hof van Justitie een bevriezingsmaatregel getroffen, waarmee personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mocht maken van de rechten die hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming hadden. Deze maatregel is beëindigd per 4 september 2025.
NL24.7356 (niet gepubliceerd).
Eiseres verwijst daarbij onder andere naar artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en naar artikel 22 van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (arrest K, L, M, N).
Zie het arrest K.A. van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 en het arrest X. van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.