Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:21461
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,974 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43032
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D.M. Metry als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zorgvuldigheid
5. Eiser voert aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met de in acht te nemen zorgvuldigheid en er sprake is van een motiveringsgebrek, omdat een besluit op de asielaanvraag is genomen zonder de zienswijze af te wachten. Hiertoe is van belang dat een verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze is gedaan tot en met 5 september 2025, waarin is vermeld dat er zonder tegenbericht vanuit wordt gegaan dat het uitstel akkoord is. De minister heeft niet op dit bericht gereageerd. Ter onderbouwing van de verzending van het uitstelbericht is een schermafbeelding overgelegd van het digitale systeem waarmee de gemachtigde werkt. Hierop is te zien dat er op 9 augustus 2025 een brief genaamd “brief aan IND 9-8-2025 uitstelverzoek” aan de minister is verzonden. Doordat eiser niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen, heeft de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de relevante medische omstandigheden, mee kunnen nemen bij het nemen van het besluit.
6. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling2 de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen moet worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag.3 Ingevolge artikel 3.109c, achtste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 dient de vreemdeling uiterlijk binnen twee weken, na uitreiking van het voornemen, zijn zienswijze naar voren te brengen. In paragraaf C1/2.6 in samenhang met C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat het beleid van verweerder voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze.
7. De minister heeft betwist het uitstelbericht van de gemachtigde te hebben ontvangen. De rechtbank is echter van oordeel dat met het overleggen van het uitstelbericht zelf en de schermafbeelding van het digitale systeem waarin het bericht als verzonden is aangegeven, voldoende aannemelijk is gemaakt dat het uitstelbericht aan de minister is verzonden. De rechtbank vindt de door de minister overgelegde schermafbeelding van zijn systeem met daarin een overzicht van de dossierstukken, waarin het uitstelbericht niet is vermeld, onvoldoende voor een ander oordeel. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat het betreffende verzoek om uitstel is gedaan. In dit uitstelbericht is onder meer vermeld dat zonder tegenbericht ervan uit wordt gegaan dat uitstel tot en met 5 september 2025 is verleend. Door een besluit te nemen voordat deze termijn was verstreken, is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
8. De rechtbank vindt dat uit de hiervoor onder 6 vermelde Afdelingsrechtspraak volgt dat in het geval een vreemdeling niet (volledig) in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen, zonder meer sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek dat niet kan worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet in dit specifieke geval evenmin aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Gelet op de aard van de gronden, waarin wordt betwist dat ten aanzien van Slovenië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en een beroep is gedaan op, weliswaar in beroep laat onderbouwde, medische omstandigheden bij eiser, is het aan de minister om eiser een nieuwe termijn voor een zienswijze te geven en op basis van een ingediende zienswijze een nieuw besluit te nemen.
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3 ECLI:NL:RVS:2007:BB1457
Conclusie
9. Het beroep is gegrond, omdat het besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen (artikel 3:2 van de Awb). De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 5 september 2025;
bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.